Introductie

Deze site gaat over zorgethiek: een filosofische reflectie op het handelen van de mens als zorgend wezen.  Zorg is in de filosofie altijd nogal stiefmoederlijk benaderd: het was een "vrouwenzaak", die bijgevolg niet al te ernstig moest genomen worden.  Het was Martin Heidegger, die grote maar ook dubieuze denker uit de twintigste eeuw, die zorg wellicht voor het eerst een centrale plaats gaf in zijn werk.  Hij noemde het een "existentiaal van het Dasein": een wezenlijk kenmerk van ons mens-zijn.  Zorgend staat de mens staat in de wereld. 

Later werd het denken over zorg ter harte genomen door feministische denkers, als Joan Tronto.  Ook zij benadert zorgen als een wezenlijk kenmerk van het mens-zijn.  Haar definitie van zorg leunt dicht aan bij deze van Martin Heidegger, maar zij kijkt wel vanuit een ander perspectief.  Heidegger benadert zorg vanuit de metafysica.  Zijn focus ligt niet op het realiseren van concrete veranderingen in de leefwereld.  Voor Joan Tronto, die wel degelijk concrete stenen wil verleggen in de rivier van ons dagelijks bestaan, wordt zorgethiek een politieke ethiek.  Het gaat bij haar over onze verantwoordelijkheid voor elkaar als kwetsbare wezens en de rechtvaardige verdeling van de lasten en de baten in de zorg.

Ik benader zorgethiek vanuit een zeer specifiek perspectief: wij zijn met zijn allen mensen van de moderniteit: een cultuurfilosofische constellatie die fantastische mogelijkheden in zich draagt, maar tegelijk ook een enigszins wankel mensbeeld heeft gecreëerd.  Centraal in de moderne leefwereld staat het Cartesiaanse cogito: "Ik denk, dus ik ben".  Alleen omdat ik, als mens, de wereld aanschouw, krijgt deze zin en betekenis.  De moderne mens constitueert de wereld met zijn denken.  Hij ziet zichzelf als een "humanistische held", die op zijn eentje zijn eigen plaats in de wereld vormgeeft.  Hij is een "Ik", een "Ego", een "Zelf". 

Maar tegelijk met de moderne mens, is ook de moderne wetenschap ontstaan.  Die denkt louter objectiverend: zij zoekt niet meer naar het wezen van de dingen, maar wil enkel uitvinden hoe ze functioneren.  Dit was tegelijk een zegen en een ramp voor de mensheid.  Een zegen omdat deze reductie de wetenschap in staat stelt om grote ontdekkingen te doen.  Denk maar aan de geneeskunde die het mogelijk maakt om zoveel verschrikkelijke ziekten te genezen.  Maar tegelijk zorgde de moderne wetenschap met zijn objectiverende blik voor heel wat problemen: ze benadert de aarde als een gebruiksvoorwerp, waarover de mens naar hartenlust mag beschikken, met onder meer gigantische milieuproblemen tot gevolg.

Maar er is nog een andere consequentie van deze dualiteit: de moderne wetenschap leidt ook tot een enigszins wankel mensbeeld.  Ongeveer tegelijk met het ontstaan van het Cartesiaanse cogito, begon de objectivering van de mens in de wetenschap.  In de voormoderne tijd, beschouwden we onszelf als de uitverkoren kinderen van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, maar in de moderniteit werd de mens en zijn lichaam gaandeweg geobjectiveerd.   Ons lichaam werd een machine, ons bestaan het gevolg van een blinde evolutie, ons ego een wanhopige ruiter die vruchteloos probeert twee nukkige paarden, het Es en het Überich te mennen.  Uiteindelijk werden onze hersenen gedevalueerd tot een computer waarin enkel blinde natuurwetten aan het werk zijn.  Vrijheid bestaat niet meer: al onze zogenaamd vrije wilsdaden worden door onze hersenen gedicteerd. 

Aldus werd in de moderniteit de gedachte van de menselijke autonomie verheerlijkt, maar tegelijk werd het bestaan ervan onmogelijk geacht.  Uiteraard is dat niet allemaal op één dag gebeurd: er zijn meer dan vierhonderd jaar over gegaan.  Maar op het eind van deze evolutie kunnen we alleen maar vaststellen dat de moderne mens hopeloos met zichzelf in een knoop zit.  Met Charles Taylor kunnen we stellen dat de moderniteit een paradoxaal gegeven is.  De moderne mens kan de wereld en zichzelf alleen benaderen vanuit de eerste persoon, dat van het autonome Ik, maar tegelijk kunnen we enkel naar onszelf en de wereld kijken in de derde persoon, als een object.   Michel Foucault verwoordt dit op een andere manier: hij ziet de mens als een transcendentaal-empirisch doublet, betekenisgever en bestudeerd object tegelijkertijd.  Het is dus niet zo dat we subject of object zijn: we zijn het altijd beide tegelijkertijd.

Dit komt bij uitstek tot uiting in de zorg.  Gily Coene en Koen Raes stelden dat er in de zorg twee totaal tegengestelde taalspelen gehanteerd worden: een wetenschappelijk taalspel dat de mens herleidt tot een aantal variabelen die aan zijn bewuste wil en dus aan zijn verantwoordelijkheid ontsnappen en een ideologisch taalspel waarin de menselijke vrijheid en dus verantwoordelijkheid centraal staat.   Beide polen worden voortdurend door elkaar gehaald.  Ze lijken wel in een onontwarbare knoop met elkaar verstrengeld te zijn.   Het is dus de vraag hoe we deze knoop kunnen ontwarren.

Referenties 

(De volledige bibliografische gegevens vindt u op de pagina "Bibliografie - Bibliography")
  • Coene Gily en Raes Koen (2008)
  • De Kesel Marc (1998)
  • Descartes René (1637)
  • Foucault Michel (1966)
  • Heidegger Martin (1967)
  • Taylor Charles (1989)
  • Tronto Joan (1993)
  • Tronto Joan (2013)






Versie 2: 26 maart 2017 | Versie 1: 7 maart 2014

Geen opmerkingen:

Een reactie posten