zondag 31 mei 2015

Euthanasie in een zorgethisch perspectief


Dit is het vijfde artikel naar aanleiding van de intensive course nursing ethics te Leuven op 2 - 5 december 2014.  Een algemeen overzicht van de cursus vindt u via deze link.  Een uitgebreide samenvatting van de cursus vindt u via deze link

De "wet betreffende de euthanasie" dateert van 28 mei 2002 en is momenteel dus 13 jaar oud, maar ze is nog steeds het onderwerp van felle discussies.  Onlangs nog, in maart 2015, mengden de Belgische bisschoppen zich in het debat met een opiniebijdrage in De Standaard (2 maart 2015) [1], prompt beantwoord op 3 maart  door Wim Distelmans (VUB) en Sylvain Peeters (De mens.nu) [2].

De discussie verloopt vooral op principlistische basis.  De bisschoppen zijn bezorgd dat in onze samenleving onvoldoende inzet wordt betoond voor "economisch onrendabele" personen.  Menselijke waardigheid is ondeelbaar verbonden aan het mens zijn, zo stellen zij, en staat dus los van van de capaciteiten van de betrokkene.  Onze samenleving stelt autonomie voorop, maar deze verwordt tot een "hyperindividualisme": de mens wordt benaderd als een eiland op zichzelf, zonder verbinding met anderen.  Bovendien vrezen zij dat de nadruk op de kwaliteit van leven, mensen tot euthanasie doet overgaan omdat anderen hun angsten en bezorgdheden op de patiënt projecteren.  Het ethisch peil van de samenleving is af te lezen aan de manier waarop zij met de zwaksten onder haar leden omgaat, euthanasie en vooral de uitbreiding daarvan kunnen gezien worden als een "uitnodiging ermee op te houden".

Wim Distelmans en Sylvain Peeters stellen in de eerste plaats de autonomie van het individu centraal en brengen ook een aantal data in die de vrees van de bisschoppen kunnen weerleggen.   Uit onderzoek blijkt namelijk dat de "theorie van het hellend vlak" niet klopt: het is wel waar dat de toepassing van euthanasie stijgt,  maar deze wordt ruimschoots gecompenseerd door een vermindering van het aantal levensbeëindigingen zonder verzoek van de patiënt. Daaruit kan men dus concluderen dat de euthanasiewet leidt tot meer overleg en minder ingrepen op basis van patriarchale beslissingen van de arts.  De triomf van het autonome individu is dus door de wet verzekerd.

Er staan hier twee principes tegenover elkaar: de autonomie van het individu versus het principe het weldoen.   Weldoen wordt daarbij boven de autonomie gesteld: de traditionele godsdiensten zijn gericht op aanvaarding en overgave. [3]  

De manier waarop deze discussie gevoerd wordt lijkt mij geen perspectief op een uitkomst te bieden.  De totstandkoming van de wet is voorafgegaan door een zeer langdurig maatschappelijk debat en meer dan een decennium na het officiële besluit van dat debat gaat de discussie onversaagd verder. 

Het is al eerder aan bod gekomen in deze blog: wij leven in een samenleving die gekenmerkt is door strijdigheid.  Aan de middeleeuwse universiteiten had de magister de onaantastbare autoriteit om aan het eind van een disputatio het besluit te formuleren.  In de moderne samenleving bestaat een dergelijke autoriteit niet meer.  Daarom is het haast onmogelijk om op basis van principlistische discussies tot een onbetwist besluit te komen, bijgevolg eindigt een dergelijke discussie zelden of nooit.

Dit wordt nog versterkt door het feit dat euthanasie, gezien het een materie is waarin over leven en dood wordt beslist, noodzakelijk vanuit een wettelijk kader dient te worden geregeld.  (Sommigen willen de wet afschaffen omdat ze frequent overtreden wordt, maar dat is een zeer vreemd argument.   Het is zoiets als de autosnelweg afschaffen omdat al te veel chauffeurs meer dan 120 km per uur rijden.)

Men zegt wel eens dat de wet te principlistisch is, maar ik meen dat daarvoor geen alternatief bestaat: wetgeving is nu eenmaal een systeem waarin de verhoudingen tussen de burgers van een samenleving op een formalistische manier worden geregeld.

Maar het probleem is dat de volheid van  het leven onmogelijk binnen een formalistisch denkkader kan worden gevat.  Om er maar even weer Martin Heidegger [4] bij te halen: ons leven is een "Sein zum Tode", uiteindelijk worden we allemaal geconfronteerd met de tragische aspecten van het leven, die de vrolijk consumerende moderne mens zoveel mogelijk verdringt.  De commercialisering van de zorg kan niet anders dan dit te versterken:  soms lijkt het wel alsof men leeft voor een ideaal van een "Zumba zum Tode",  die de tragiek van het mens-zijn omvormt tot een "draaglijke lichtheid van het bestaan".  De moderne mens heeft een zeer problematische omgang met de dood omdat de moderniteit essentieel draait rond het subject.  Sterven is nu precies het moment waarop het subject uiteindelijk oplost in iets wat zijn tegendeel is.  Het is de ultieme confrontatie met het tragische van ons bestaan.  Daarom wordt de dood zoveel zoveel mogelijk buiten de samenleving gehouden.

Zowel de nadruk op de autonomie als de nadruk op overgave lijken mij een ethisch omgaan met deze materie te bemoeilijken. De bedoelde autonomie lijkt de nadruk te leggen op  negatieve vrijheid (zie het artikel over het boek van Guy Widdershoven.), waardoor het individu principieel alleen staat voor zijn ultieme keuze.  De christelijke uitnodiging tot overgave legt de keuze dan weer volledig buiten het individu.

Een zorgethische invalshoek kan misschien de impasse doorbreken waarin de principlistische discussie noodzakelijk moet belanden. Ook al zijn we een autonoom individu, toch is het maar te hopen dat we kunnen sterven in verbondenheid met onze naasten.  Het ene sluit het andere niet uit, het tegendeel is eerder waar: we worden maar een individu in verbondenheid met anderen. Vandaar dat ook sterven een sociaal gebeuren is, waarin mensen elkaar hoe dan ook beïnvloeden en op elkaar betrokken zijn.

Het onderzoek dat door prof. Yvonne Denier werd gepresenteerd [5], vertrekt van een dergelijke zorgethische invalshoek. Verpleegkundigen die met euthanasie geconfronteerd worden hebben blijkbaar meestal weinig problemen met euthanasie voor terminaal zieke patiënten, maar ze voelen zich wel machteloos omdat ze er niet meer in slagen om de patiënt zich beter te laten voelen.   Ze benaderen het gebeuren vanuit twee invalshoeken.    Beide zijn een manier om hun betrokkenheid uit te drukken.  Het procedurele perspectief staat voor een goede organisatie van het zorgproces.  Er moet een goede procedure zijn om alles zo goed mogelijk te organiseren.  De persoonlijke kijk wordt terzijde geschoven: het gaat om de noden van de patiënt.  Het existentiële perspectief stelt zich in de eerste plaats de vraag of er wel een goede beslissing genomen is.  Het is meer gericht op dialoog, minder op de vraag: "Wat moet ik doen?", maar eerder op "Wat moet ik zijn?"  Men wil komen tot een juist begrip van de problematiek, daarom is men sterk communicatief gericht.  Men gaat ervan uit dat men een professional is, maar tegelijk ook een persoon: "ik kan alleen begrijpen waar het bij jou over gaat, als ik mij met jou verbonden kan voelen in een persoonlijke communicatie."  Het gaat om een gesprek van persoon tot persoon, waarbij men geen nood heeft aan een protocol.  Organisatie is minder belangrijk.  In plaats daarvan stelt men ondersteuning, raadgeving en begeleiding centraal.

Uiteraard zijn beide perspectieven belangrijk.  Dit past ook in het concept van het vakkundig metgezelschap. (zie het artikel over dit onderwerp),  het gaat niet op om goed men mensen te communiceren terwijl men van de organisatie van de zorg een zootje maakt, maar in het streven naar een goede organisatie mag het existentiële perspectief zeker niet uit het oog verloren worden.  Ook al zijn we een autonoom individu: als we sterven staat verbondenheid met anderen voorop.


Noten

  1. Léonard A.J. e.a. 'De plicht tot sterven?' Opiniebijdrage in //De Standaard//, 2-03-2015
  2. Distelmans Wim en Peeters Sylvain, 'Mist of helderheid (de begeleiders wachten)'. Opiniebijdrage in //De Standaard// 3-03-2015
  3. De Dijn Herman, 'Frustraties en miseries van/in een postchristelijke cultuur.  Beschouwingen rond euthanasie', in //Ethische perspectieven//, vol. 18 nr. 2,  maart 2008, p. 153
  4. Heidegger Martin, Sein und Zeit, Tübingen, Max Niemeyer Verlag, 2006, 445 p.
  5. Denier Yvonne e.a. 'Involvement of nurses in the euthanasia care process in Flanders (Belgium).  An exploration of two perspectives',  in //Journal of palliative care//, Vol. 25 nr. 4, 2009, p. 264-274.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten