zondag 22 maart 2015

Het (De) vreemde in mij, intimiteit en seksualiteit in de zorg voor dementerende ouderen

Dit is het derde artikel naar aanleiding van de intensive course nursing ethics te Leuven op 2 - 5 december 2014.  Een algemeen overzicht van de cursus vindt u via deze link.  Een uitgebreide samenvatting van de cursus vindt u via deze link

Dr. Lieslot Mahieu bracht verslag uit van haar onderzoek naar intimiteit en seksualiteit in de zorg voor dementerende ouderen. Seksualiteit wordt in onze cultuur verbonden aan jeugd en lichamelijke vitaliteit. Zelden staan we erbij stil dat oudere mensen ook behoeften hebben aan intimiteit en seksualiteit. Tot in een recent verleden werd seksualiteit omhuld door een sfeer van taboe en geheimzinnigheid. Alhoewel het wel lijkt alsof dat op dit ogenblik in haar tegendeel is omgeslagen, blijven de taboes onverminderd bestaan als het gaat om mensen die niet als jeugdig en vitaal gezien worden.

Bovendien staat de autonomie van het individu centraal in het denken binnen onze cultuur, maar we zien deze autonomie sterk vanuit een rationeel cognitief denkkader. Seksualiteit wordt in dat kader aanvaardbaar geacht voor individuen die daar op een rationele manier over kunnen beslissen of hun beslissingen minstens kunnen rationaliseren.

Bijgevolg hebben heel wat mensen grote reserves tegenover seksualiteit bij ouderen en a fortiori bij dementerende personen.

Lieslot Mahieu onderscheidt drie vormen van seksualiteit. (1) Behoefte aan liefde en genegenheid wordt bij het verpleegkundig team positief onthaald. (2) Bij romantiek ("een emotionele of mentale ervaring van liefde waarbij men ertoe neigt de ander te idealiseren"), voelt het verzorgend team zich vaak ongemakkelijk, zodat men de neiging heeft het weg te lachen. (3) Erotiek (seksuele opwinding of lust) wekt meestal afschuw en onbehagen op.

In het algemeen leidt seksueel gedrag tot negatieve reacties: men is er verveeld mee. Dit komt echter voor een deel voort uit een terechte bekommernis. Dementerende personen zijn potentieel zeer kwetsbaar. Men wil hen beschermen tegen misbruik. Het staat uiteraard buiten kijf dat seksueel gedrag enkel aanvaardbaar is als het gebeurt met toestemming van beide partijen. Als dat niet zo is, dan moet men de zwakkere persoon tegen de ander in bescherming nemen.

Maar dat laat niet weg dat men competentie op een functionele manier moet benaderen: Het is niet omdat iemand zijn geldzaken niet meer kan beheren of voortdurend de weg in de stad verliest, dat hij meteen niet meer kan beslissen om een relatie aan te gaan, ook niet als het om een seksuele relatie gaat.

Ook hier stelt zich uiteraard het probleem van het onderscheid tussen de huidige en de verleden persoon. Een persoon die in het verleden een zeer trouwe echtgenoot was, kan plots in het woonzorgcentrum "vreemd" gaan, ook al weet zijn partner die hem (haar) trouw elke dag komt bezoeken, daar absoluut geen weg mee. Hierbij gaat het om een moeilijk dilemma, omdat ook de partner een kwetsbare persoon is die bescherming verdient. Los van de bestaande taboes, die men terecht in vraag moet stellen, kan de verpleging dus met een aantal ethische dilemma's worden geconfronteerd.

Dat laat niet weg dat men de neiging heeft om te gaan overbeschermen: men moet zich steeds de vraag stellen of seksueel gedrag inderdaad tot schade leidt. Vaak zal dit niet het geval zijn en gaat het eerder om de gevoeligheden van de omgeving dan deze van de betrokkenen zelf. Ouderdom mag niet gezien worden als iets dat in verband staat met moraliteit.

Een ander probleem is dat wij in een zeer rationele cultuur leven. Als mens zijn we echter een belichaamd wezen. Doorheen ons leven verwerft ons lichaam non-verbale kennis die onze daden stuurt. In die zin lijkt het dat ons cognitief geheugen aangevuld wordt met een lichamelijk geheugen dat de storm van de opkomende dementie kan overleven. Dit bestaat uit gewoonten die niet rationeel zijn en seksualiteit is daar een van. Ook als mensen cognitief achteruit gaan, blijft hun lichaam wellicht nog "weten" wat intimiteit is en blijft de behoefte daaraan bestaan. We onderschatten dus wellicht de capaciteiten van dementerende mensen om een seksuele relatie aan te gaan, omdat  wij enkel ons op het rationele focussen.

Maar de problematiek gaat nog dieper. Als men seksueel gedrag bij dementerende mensen tegengaat, is dat omdat het subject-zijn van de dementerende mens zelf in vraag wordt gesteld. De gezonde mens beschikt in die visie op een vrije manier over zijn seksualiteit omdat hij als een autonoom subject gezien wordt. Men heeft problemen met seksueel gedrag in die mate dat men de persoon die dit gedrag stelt niet meer als een autonoom subject kan zien: men stelt het verleden subject boven het huidige subject en concludeert dat het verleden subject wezenlijk de persoon van deze mens uitmaakt. Het huidige subject is slechts een onvolledig restant van wat het geweest is en heeft bijgevolg minder recht om autonome beslissingen te nemen: men meent dat men respect dient te uiten voor het verleden subject door het huidige subject aan banden te leggen.

Maar daarbij stelt zich de vraag of het verleden subject dan wel zo onaantastbaar was. In het moderne denken gaan we er nogal spontaan van uit dat het autonome subject zichzelf bemeestert en dus de maat is van alle dingen. Naarmate het subject zichzelf verliest in bijvoorbeeld dementie, beschouwen we het als niet meer authentiek, zodat we het recht krijgen om in te grijpen in zijn autonomie. Maar dit staat in tegenstelling tot bijvoorbeeld het denken van Sigmund Freud, die stelde dat het ik niet de meester is van zijn eigen huis. Ook voor Nietzsche ligt de waarheid in het Id, het onderbewuste. Ook al is het onderbewuste een deel van mezelf, toch werkt het achter mijn rug. Het kan ook bij "normale" mensen niet worden gecontroleerd, en als men dat wel doet, dreigt men met ernstige psychische problemen te worden geconfronteerd. Het onderbewuste is de ander in mij en toch is het van mezelf. Het zelf wordt erdoor van zijn troon gestoten: de psychoanalyse heeft de alteriteit van het zelf vastgesteld. In de worden van Lacan: "Je est un autre!" Mijn zelf-heid, mijn eigen-heid, ontsnapt mij: ik bezit ze niet. Het is niet iets van mij: het gaat eerder over mij. Het is zo dicht bij mij dat ik er geen vat op heb, maar toch maakt het mij tot wat ik ben. De problematiek van de moderniteit wordt hierdoor verscherpt: het gaat niet enkel meer om een subject dat tegelijk geobjectiveerd wordt: het subject zelf is een reus op lemen poten.

Elders heb ik dit verwoord in een metafoor, verwijzend naar de dood van de mens op de laatste pagina van Les mots et les choses van Michel Foucault: "Wellicht komt ooit uit de dreigende golven van de oceaan, waarin Michel Foucault de mens liet verdwijnen, een fles aangespoeld met daarin de flarden van een onsamenhangend verhaal. Als we dan - even - de wetenschap achterwege laten en dat verhaal niet gaan analyseren, dan zal het ons misschien duidelijk worden: Dit stamelende verhaal, dat is de mens."

We zien de mens als de sterke humanistische held die autonoom over zichzelf kan beschikken en tegen zichzelf beschermd moet worden als die autonomie begint te falen. Maar misschien is dat onterecht: misschien is ook de autonome mens een "stamelend verhaal" en is ook de niet- of minder autonome mens een individu dat eigen keuzen kan maken.

Referenties

  • Mahieu, L., Gastmans, C. (sup.), Anckaert, L. (cosup.) (2014). Care for older people with regard to intimacy and sexuality: A clinical-ethical study with special attention to institutionalized people with dementia., Leuven, Leuven University Press, 2014, 256 pp.
  • Visker Rudy, 'The strange(r) within me' in Ethical perspectives, vol 12 nr. 4 (2005), p. 425 - 441 (te raadplegen via het internet, URL: http://www.ethical-perspectives.be/viewpic.php?TABLE=EP&ID=938 )
  • Foucault Michel, Les mots et les choses, Paris, Gallimard, 1966, 400 p.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten