zondag 6 juli 2014

Charles Taylor en het puntvormige zelf van Locke

Referenties


  • Foucault Michel, Surveiller et punir. Naissance de la prison, Paris, Gallimard, 1975, 318 p.
  • Taylor Charles, Sources of the self. The making of the modern identity, New York, Cambridge university press, 1989 (first paperback edition 1992), 595 p.    Vertaald in het Nederlands: Bronnen van het zelf.  De ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit, vertaald door Marjolijn Stoltenberg met een voorwoord van Joop Dohmen, Rotterdam, Lemniscaat, 2007, 773 p.


Een blog schrijven is geen rechtlijnig proces.  Het verloopt niet zoals het schrijven van een boek of een scriptie waarbij men (in de ideale wereld alvast) vertrekt vanuit een duidelijk afgebakend werkplan.  Een blog is altijd een "work in progress", en verloopt meer intuïtief.  Er is wel een doel, maar dat doel is niet iets waar men voortdurend recht op afvaart.  Het is is een beetje als zeilen tegen de wind in: men weet waar men naartoe wil, maar om er te geraken dient men schijnbaar van het doel weg te varen. 

Ik heb reeds een paar keer gebruik gemaakt van de term "de paradox van de moderniteit".  Ik meen dat het tijd wordt om iets dieper op dit begrip in te gaan. Ik heb het uiteraard niet zelf verzonnen: de inspiratie Charles Taylor's  Sources of the self: 

Here we see the origin of one of the great paradoxes of modern philosophy.  The philosophy of disengagement and objectification has helped to create a picture of the human being, at its most extreme in certain forms of materialism, from which the last vestiges of subjectivity seem to have been expelled.  Is is a picture of the human being from a completely third-person perspective.  The paradox is that this severe outlook is connected with, indeed, based on, according a central place to the first-person stance.  Radical objectivity is only intelligible through radical subjectivity.  This paradox has, of course, been much commented on by Heidegger, for instance, and by Merleau-Ponty.  Modern naturalism can never be the same once seen this connection, as both these philosophers argue.  But for those who haven't seen it, the problem of the “I” returns, like a repressed thought, as a seemingly insoluble puzzle.  (p. 175 - 176)

(In de vertaling van Marjolein Stoltenberg luidt het:  Hier zien we de oorsprong van een van de grote paradoxen van de moderne filosofie. De filosofie van onthechting en tot object maken, heeft ertoe bijgedragen een beeld van de mens te creëren, in zijn meest extreme zin in bepaalde vormen van materialisme, van waaruit de laatste sporen van subjectiviteit lijken te zijn verdreven.  Het is een beeld van de mens dat volledig vanuit het perspectief van de derde persoon tot stand komt.  De paradox is dat deze strenge visie verbonden is met, en zelfs gebaseerd op, het toekennen van een centrale plaats aan het perspectief van de eerste persoon.  Radicale objectiviteit is maar slechts begrijpelijk en toegankelijk door radicale subjectiviteit.  Deze paradox is natuurlijk veelvuldig besproken door bijvoorbeeld Heidegger en Merleau-Ponty.  Het moderne naturalisme kan nooit meer worden wat het is geweest zodra men dit verband ziet, zoals deze beide filosofen betogen.  Maar voor mensen die het niet hebben gezien, keert het probleem van het 'ik', net als een verdrongen gedachte, als een schijnbaar onoplosbaar raadsel terug. p. 249)

Charles Taylor stelt dat aan het begin van de moderniteit (eind 16de - begin 17de eeuw) een ideaal mensbeeld veld wint, waarbij de mens in staat moet zijn zichzelf te reconstrueren door methodisch en gedisciplineerd handelen.  Dit benoemt hij als een onthechte houding ten aanzien van het zelf.  Dit proces wordt onder meer door Foucault beschreven in "Surveiller et punir".  Er gebeurt dus bij Descartes een dubbele beweging.  Enerzijds ontpopt de mens zich tot denkend subject, dat als enige de kracht heeft om de wereld betekenis te geven.  Maar tegelijk neemt de mens een instrumentele houding ten aanzien van zichzelf aan: hij gaat zichzelf tot object maken.  Filosofisch is Descartes een van de eerste grote denkers van deze onthechting. Om afstand te kunnen nemen van de vanzelfsprekendheden van het premoderne denken, moest de mens in staat zijn de wereld te benaderen van uit nieuwe theorieën en hypothesen.  Om dit mogelijk te maken moest men zich kunnen vrijmaken van zijn spontane kijk op de wereld en dus moest men het perspectief van de eerste persoon kunnen verlaten in het voordeel van een geobjectiveerde onpersoonlijke beschouwingswijze.  Maar dit gebeurt wel vanuit een radicale reflexiviteit van het subject: het moet zich concentreren op de eerste persoonservaring om haar te transponeren tot een geobjectiveerde kijk vanuit de derde persoon. De inzet van dit alles is het verwerven va controle op de werkelijkheid.  Er loopt in die zin een lijn van onthechting van de eigen persoon naar het verwerven van macht en controle.  Daartoe creëert men een ideaal van werken en denken volgens correct standaardprocedures die leiden tot het verwerven van kennis.  Deze verbindingen zijn in bepaalde sectoren van de moderne cultuur zo sterk, dat het lijkt alsof ze de enig mogelijke constructie zijn.  (In de zorg komt dit bijvoorbeeld tot uiting in de slogan "meten is weten " en het kwaliteitsdenken. ) Maar dit is niet correct: betrokken onderzoek naar de eigen gevoelens over een bepaald probleem blijft eveneens een belangrijke invalshoek om de werkelijkheid te benaderen. 

Interessant is eveneens dat Charles Taylor  stelt dat een bepaald domein tot object maken gelijk meteen inhoudt dat men het ontdoet van de normatieve kracht die het voorheen voor ons had.  "The key to this figure is that is gains control through disengagement;  Disengagement is always correlative of an 'objectification', if I may introduce this as another term of art.  Objectifying of a given domain involves depriving it of its normative focus for us. If we take a domain of being in which hitherto the way things are has set norms of standards for us, and take a new stance to it as neutral, I will speak of our objectifying it."

John Locke gaat in deze onthechting nog veel verder dan Descartes.  Hij materialiseert de geest in buitengewoon sterke mate.  Onze inzichten ontstaan in een quasi mechanisch proces door een soort van inprenting van de prikkelingen van de zintuigen in de geest.  Kennis kan alleen ontstaan door waarneming, deductie en de regels van de wiskunde.  De rede is louter procedureel: men moet een beeld van de werkelijkheid construeren volgens de regels van het rationele denken, hartstocht of gewoonte moeten daarbij volledig worden uitgesloten.  Maar ook hier vertrekt deze onthechting vanuit een eerste persoonsperspectief:  de gehanteerde procedure is van radicaal reflexieve aard.  

Maar Locke geeft ook een belangrijke rol aan de wil: deze kan de objecten van onze verlangens in overweging nemen.  Door het volgen van rationele regels van bewijsvoering kunnen we bepalen wat de het grootste goed is en onszelf de wil opleggen om daar naar te streven.  Ook hier zien we dus weer een radicale onthechting van onszelf, die leidt tot een reconstructie van de eigen persoon.  Taylor spreekt bij Locke van een "puntvormig zelf".  De term puntvormig is een verwijzing naar de wiskundige definitie van dit woord: iets wat geen enkele uitgebreidheid kent.   Het gaat om een radicaal subjectivitische visie op de persoon, die verbonden wordt met een radicale belofte van zelfcontrole en zelfhervorming.
Het denken van John Locke heeft een grote invloed gehad op de verlichtingsfilosofen en deze invloed loopt voort tot in onze tijd.

Taylor besluit dat in de westerse traditie het thema van zelfcontrole zeer veel invloed heeft.  In de premoderne periode werd de rede gezien als een visie op de kosmische orde, die een zinvolle (goddelijke) orde was.  In de moderniteit ontwikkelt zich echter een transmutatie van de rede tot het denkbeeld van een puntvorming, onthecht subject dat instrumentele controle op de werkelijkheid uitoefent.  En het is precies daardoor dat we onszelf kunnen zien als een "zelf".  Maar deze onthechting vergt tegelijkertijd dat we een reflexieve houding aannemen.  Het is uit den boze om ons te laten bepalen door de behoeften van ons lichaam of de bestaande tradities.  We moeten deze objectiveren door ze aan een radicaal onderzoek te onderwerpen en te hervormen.  Om deze onthechting mogelijk te maken, moeten we dus ook onszelf tot object maken.  De paradox is echter dat dit alleen kan vanuit de eerste persoon: ik moet me bewust zijn van mijn denkactiviteit, van mijn processen van gewoontevorming, om mij daaraan te kunnen onttrekken en ze te objectiveren.  Dit kan alleen door voortdurende oefening in discipline.   Deze is onlosmakelijk verbonden met de moderne levenswijze: deze van zelfcontrole op economisch, moreel en seksueel gebied.

Maar tegelijk moeten we onszelf daarvoor afscheiden van onze gegeven natuur.  Dit leidt tot een duurzaam filosofisch onbehagen in de moderne tijd waarvoor in de oudheid geen equivalent bestond.  Dit is volgens Charles Taylor de oorsprong van een van de grote filosofische paradoxen van de hedendaagse filosofie. 

De paradox van de moderniteit leidt tot een voortdurende spanning tussen betrokkenheid en afstand nemen.  De mens leert te denken vanuit zichzelf, als subject, wat niet kan zonder een vorm van betrokkenheid op zichzelf waarbij het subject komt centraal te staan.  Maar tegelijk is er sprake van een objectivering, van een afstand nemen van het zelf, om de controle te bewaren.  Dezelfde spanning speelt zich af in het denken over zorg:  daar is er een voortdurende tegenstelling tussen oprechte pogingen om in de persoon van de ander te treden en hem te leren begrijpen vanuit een delen van zijn eerstepersoonsperpectief.  Maar tegelijkertijd is er ook de onvermijdelijke poging om de ander de objectiveren en met het oog op controle en macht.  De paradox is dat beide polen: empathie en controle, voortdurend in elkaars nabijheid zijn.

1 opmerking:

  1. Een erg interessant artikel Jan. Ik ben nu bezig met het bestuderen van Nietzsches Vrolijke Wetenschap. Ook hier is deze paradox prominent aanwezig. Nietzsche betoogt dat wetenschap slechts kan gebeuren vanuit het perspectief van de onderzoeker. Anders gezegd, vind je hier weer opnieuw de spanning tussen objectiviteit en subjectiviteit. Ik denk dat deze bezorgdheid wellicht de rode draad is in het existentialisme.

    BeantwoordenVerwijderen