zondag 3 november 2013

Moral Boundaries, bespreking


Referentie

Tronto Joan, Moral Boundaries. A political argument for an ethic of care, New York, Routledge, 1993 (reprint 2009), xii + 226 p.

Bespreking

Dit boek plaatst zorgethiek uitdrukkelijk in een politieke context. De zachte waarden in de ethiek van de zorg verbergen in zekere zin de harde werkelijkheid die erachter schuilgaat. Macht en autonomie van het subject zijn centrale waarden in onze samenleving. Vandaar dat zorg en de mensen die zorg verlenen met misprijzen worden benaderd. Zorg wordt immers hoofdzakelijk verleend door mensen die aan de rand van de uitsluiting staan: laaggeschoolde, vooral autochtone vrouwen. Ongetwijfeld is de blik van Joan Tronto gedeeltelijk verkleurd door het feit dat zij een Amerikaanse is. Deze tegenstellingen zijn in de VS veel scherper dan in België. Maar dat laat niet weg dat deze tendensen zich ook in onze samenleving afspelen, zij het dan wellicht iets minder scherp.

(De recente "government shutdown"die de Amerikaanse economie voor een groot stuk heeft lamgelegd is een begrotingsconflict, dat uiteindelijk gaat om het goedkeuren van de Patient Protection and Affordable Care Act, beter bekend als Obamacare. In feite draait dit om een van de morele grenzen die Joan Tronto aangeeft: de grens tussen privaat en publiek. Medische zorg wordt door een significante groep Amerikanen, voornamelijk uit de blanke middenklasse, als een private aangelegenheid gezien. Dit leidt tot een sterk duale samenleving: rijke mensen kunnen zorg kopen, arme niet. Het zijn wel de arme mensen die zorg verlenen aan hen die het zich kunnen permitteren. Joan Tronto benoemt dit met de term "privileged irresponsibility".)

Ethiek staat volgens Joan Tronto niet los andere ontwikkelingen in de samenleving. Ze legt uit hoe in de 18de eeuw de veranderende economische verhoudingen die tot een wereldwijde handel leidden, andere menselijke verhoudingen nodig maakten. Voorheen was het huishouden het centrum van de economie. Vanaf de 18de eeuw kwam de economische productie echter los te staan van het huishouden, zodat er twee gescheiden werelden ontstonden. De economie "buitenshuis" was het domein van de man, waar de rationaliteit heerste, terwijl het huishouden "binnenshuis" het domein werd van zorg en emoties en dus van de vrouw. Hume geloofde nog dat het ethisch denken voor een belangrijk deel gestuurd wordt door een moreel zintuig en door de passies. Voor Adam Smith geldt enkel nog het eigenbelang als menselijke drijfveer. Dit toont aan dat de nieuwe economische verhoudingen de vigerende normen op vrij korte tijd hebben beïnvloed. Op filosofisch vlak wint Kant het van Hume. Voor Kant kan enkel de rede als drijfveer voor het menselijk handelen gelden, terwijl Hume nog een belangrijke rol toekende aan de passies.

Hierdoor ontstaat er echter een legitimatieprobleem voor de zorg. Zorgen is hoe dan ook een zaak waarbij emoties betrokken zijn. Alhoewel Joan Tronto absoluut niet terug wil naar het 18de eeuwse denken stelt ze toch dat zorgethiek meer banden heeft met de 18de eeuwse Schotse verlichtingsdenkers, dan met Kant en zijn navolgers.

Door en na Kant ontstaan dus de drie morele grenzen, die ons denken over zorg ten gronde beïnvloeden.

De eerste grens is deze tussen ethiek en politiek. Deze grens maakt het mogelijk om politieke beslissingen te nemen waarbij ethische overwegingen aan de kant worden geschoven. Een voorbeeld: men kan tot het besluit komen om noodzakelijke maatregelen tegen armoede in de samenleving niet uit te voeren, omdat "de markten" ons weerhouden om middelen in te zetten tegen de armoede.

De tweede grens wordt bepaald door het "moral point of view": de gedachte dat ethiek afstandelijk en neutraal moet zijn. Deze grens laat ons bijvoorbeeld toe om asielzoekers terug te sturen naar Afghanistan, een land in oorlog, omdat we geen ethische overwegingen mogen maken die op één specifieke persoon betrekking hebben. Beslissingen moeten op een algemene, universele basis genomen worden.

De derde grens is deze tussen het publieke en het private. Zorg werd naar de private sfeer verwezen, wat leidde tot een devaluatie van de zorg, omdat de private sfeer inferieur aan de publieke werd gezien. Bovendien werd de private sfeer een vrouwenzaak en meteen ook een zaak van tweederangsburgers. Dit staat tegenover de stelling die onder meer door het feminisme werd ingenomen: "ook het persoonlijke is politiek!" Het leven dan de mens speelt zich voor het grootste deel af in de private sfeer. Er is dus geen enkele reden om dit minder belangrijk te achten dan het publieke leven.

In dit verband wordt ook aangestipt dat de filosofische traditie in hetzelfde bedje ziek is, en dat zelfs reeds voor de splitsing tussen de private en de publieke sfeer. Het is eigenlijk enkel Heidegger, die het begrip "zorg" in zijn denken betrekt. Het is zelfs een sleutelbegrip voor hem, gezien hij zorg als een wezenlijk kenmerk van het menselijk zijn benoemt.
De auteur deelt zorgen in in vier fasen: (1) oog hebben voor (caring about)1, (2) ervoor zorgen dat (taking care of), (3) zorgen (care giving) en (4) reageren op zorg (care receiving). Deze vier fasen corresponderen met de vier elementen van een goede zorgethiek: (1) Aandachtigheid (attentiveness), (2) Verantwoordelijkheid (responsibility), (3) deskundigheid (competence) en (4) ontvankelijkheid (responsiveness). Deze indeling laat ruimte voor analyse van de machtsverdeling binnen het zorgen. Het is maar in de derde en vierde fase dat zorgen een concrete fysische activiteit wordt en waar dus de segregatie tussen machtige en machteloze participanten aan het zorgproces begint.

Bovendien wordt ook meteen het perspectief van de hulpvrager bij de zorg betrokken. Uiteraard moet men zorg in belangrijke mate evalueren vanuit het perspectief van de hulpvrager. Maar daar zit tegelijk een valkuil in: de noden zullen altijd groter zijn dan de middelen. Bijgevolg zal er altijd ook een theorie van de rechtvaardigheid nodig zijn om zorg te sturen. Men zal ervoor moeten zorgen dat noden vervuld worden op een min of meer objectieve basis, zodat hier toch voor een deel een view from nowhere in de analyse betrokken moet worden.

Joan Tronto maakt daarbij een onderscheid tussen noden en belangen. Dat onderscheid is mij dunkt in praktijk moeilijk hard te maken: de grens tussen beide zal nooit scherp kunnen getrokken worden. Dit zal altijd het resultaat zijn van een nooit eindigend interpretatief proces. Maar zelfs als er nooit een definitief oordeel geveld kan worden, is het voeren van een discussie hierover essentieel, omdat er in onze samenleving sterke tendensen zijn om de keuzen over noden vs. behoeften aan de markt over te laten en dat is zeker geen goede zaak.

Maar in zekere zin ligt daar ook de achilleshiel van het boek: Joan Tronto wil zorg hanteren als hoeksteen van een nieuw ethisch denken en een nieuwe politiek, maar zorg is zoals zij terecht stelt een morele praktijk en geen meta-ethische theorie. Onze samenleving is fundamenteel gekenmerkt door strijdigheid, er is geen ultieme rechter meer die fundamentele discussies met een laatste oordeel kan beslechten. Ik vrees dat dit ook niet zal lukken vanuit een zorgperspectief. Ook het zorgbegrip zal voortdurend met tegenstrijdige waarheidsclaims geconfronteerd worden, ook als daar een theorie van de rechtvaardigheid bij betrokken wordt.



1 Ik heb de vertaling van deze vier termen ontleend aan Van Nistelrooy Inge, Basisboek zorgethiek. Over menslievende zorg, moreel beraad en de motivatie van verpleegkundigen, Heeswijk, Berne media, 2013.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten