dinsdag 30 juli 2013

Hoe maken ze het? Samenvatting


Studiedag Cego 18/03/2013

 

Referentie 

Van Cleynenbreugel Charlotte, Laevers Ferre, Naar een kwaliteitsvolle aanpak in woonzorgcentra. Welbevinden en betrokkenheid als fundament voor zelfevaluatie. Eindverslag, Leuven, KUL, 2013, 86 p.

Bespreking


Cego, het centrum voor ervaringsgericht onderwijs van de KU Leuven kreeg in 2010 een opdracht om een onderzoek te doen naar welbevinden en betrokkenheid in de ouderenzorg. Beide categorieën worden ook in het onderwijs gebruikt om kwaliteit te beoordelen. De opdracht van het onderzoek luidde of deze concepten ook in de ouderenzorg blijven staan als belangrijke kwaliteitscriteria. De Vlaamse overheid legt aan de woonzorgcentra de verplichting op om vanaf 2013 aan zelfevaluatie te doen. Het onderzoek beoogt om een instrumentarium aan te bieden om deze zelfevaluatie te ondersteunen.

Het uitgangspunt is dat de focus van zorg niet op lichamelijke of medische verzorging mag liggen: beleving moet de maatstaf van goede zorg zijn. De zorgverlening wordt benadert vanuit het model: "aanpak - proces - effect".

Vijf aanpakfactoren zijn bepalend voor wat zich bij mensen afspeelt: aanbod, sfeer, ruimte voor initiatief, organisatie en begeleidingsstijl.

In het proces zijn er twee essentiële variabelen: "welbevinden" en "betrokkenheid". De onderzoekers gingen uit van de hypothese dat beide variabelen goede maatstaven zijn om naar de beleving van de bewoners te kijken.

"De procesvariabele welbevinden is een bijzondere toestand van het gevoelsleven, die zich laat herkennen aan signalen van voldoening, genieten, deugd beleven, waarbij de persoon: ontspannen is en innerlijke rust toont, energie in zich voelt stromen en vitaliteit uitstraalt, open is en zich voor de omgeving toegankelijk openstelt, spontaneïteit aan de dag legt en zichzelf is, omdat de situatie tegemoet komt aan zijn/haar basisbehoeften, hij/zij over een positief zelfbeeld beschikt, in voeling is met zichzelf en in verbondenheid met anderen" 10.

"Betrokkenheid is een bijzondere kwaliteit van menselijke activiteit, die zich laat herkennen aan een geconcentreerd, aangehouden en tijdvergeten bezig zijn, waarbij de persoon zich openstelt en een intense mentale activiteit aan de dag legt, zich gemotiveerd voelt en geboeid is, een grote hoeveelheid energie vrijmaakt en een sterke voldoening ervaart, omdat de activiteit aansluit bij zijn exploratiedrang en interessepatroon en zich aan de grens van zijn individuele mogelijkheden situeert, waardoor ontwikkeling ontstaat" 12.
De procesvariabelen welbevinden en betrokkenheid, worden gemeten aan de hand van observatieschalen met een vijf punten systeem. Op die manier werden twee instrumenten ontwikkeld: een instrument voor belevingsgerichte observatie en een scanning van welbevinden en betrokkenheid.
Het instrument voor belevingsgerichte observatie werkt vanuit een "critical incident methode": betekenisvolle momenten worden neergeschreven en gescoord. Aan elk moment wordt een code toegekend. Deze geeft aan of het gaat om een rijk aanbod, ruimte voor initiatief, een warme sfeer en relaties, een goede organisatie, een sensitieve stijl, een autonomie verlenende stijl en/of een stimulerende stijl. Men beoogt daarmee aan ervaringsreconstructie te doen: "We doen dan beroep op het vermogen om via iemands uitdrukking, woorden en gebaren zijn ervaring als het ware te reconstrueren. (...) Men vormt zich een beeld van wat zich innerlijk in de andere afspeelt, wat hij/zij vanbinnen doormaakt. Men probeert door te dringen tot de diepere betekenis van zijn/haar gedrag. Als je die belevenis van de andere in je 'draagt', kun je op zoek gaan naar interventies die de ervaringswijze van deze persoon het sterkst kunnen raken. 16.

Men heeft in de vijf in het onderzoek betrokken woonzorgcentra aldus 240 uur observatie gedaan en 1100 betekenisvolle momenten geregistreerd. Aan het onderzoek was ook een begeleiding van de teams gekoppeld. Uit het verschil tussen de pre- en de postmeting blijkt dat het aantal betekenisvolle momenten gestegen is van gemiddeld 4,14 per uur tot 5,46 per uur.
De onderzoekers merken op dat er uiteraard altijd bewoners zijn die meer genieten van het kijken naar een activiteit, maar als je merkt dat het bij de meeste bewoners blijft bij kijken en luisteren, dan is er wel bijsturing nodig. Men mag de bewoners niet gewoon laten zitten te zitten, men moet zorgen dat ze bezig kunnen zijn, zonder prikkels vervallen ze snel in slapen, rondstaren, wachten op de volgende maaltijd en dat is natuurlijk een vicieuze cirkel. 22 Verzorgenden blijken zelf geen activiteiten aan te bieden. Er zijn wel degelijk rustige momenten in de shift, maar men gebruikt ze niet om met de bewoners bezig te zijn. Verzorgenden zien bij de bewoners zitten niet als werken 23. Dat blijkt ook uit de analyse van de betekenisvolle momenten. Zorgmomenten (toilet, wassen, ...) zijn over het algemeen een leuk individueel moment met een aangename babbel ook al worden er wel wat fouten gemaakt zoals een onvoldoende sensitieve benadering van de resident, over zijn hoofd met een collega praten enz. Maar met mensen bezig zijn zonder iets te "doen" wordt dus niet als zorgen ervaren.

Bij de tweede observatiemethode: het scanningsinstrument voor welbevinden en betrokkenheid worden vijf mensen telkens twee minuten geobserveerd, waarna er een score wordt gegeven. Na twee minuten gaat men over naar de volgende tot men ze alle vijf heeft geobserveerd. Daarna begint het proces opnieuw, gedurende een bepaalde periode. Deze methode heeft overeenkomsten met Dementia Care Mapping. Uit deze scanning concludeert men dat de betrokkenheid van de bewoners eerder aan de lage kant is. Er wordt in 34% van de metingen in de pre-meting en 46% bij de post-meting, geen activiteit gemeten. De begeleiding van de afdelingen had hierop blijkbaar geen effect. Ook wat betreft welbevinden, blijkt dat bewoners geen uitgesproken tekenen van welbevinden vertonen. Vaak geven ze een onbewogen of zelfs een uitgesproken negatieve indruk.

De onderzoekers concluderen dat welbevinden en betrokkenheid uitstekende ingangen zijn om naar kwaliteit in een woonzorgcentrum te kijken. Ze geven de warmtegraad en de activeringsgraad aan van de instelling. De kerninstrumenten BGO en SWB doen hun werk. Het welbevinden in de betrokken woonzorgcentra is minimaal, maar van een aanvaardbaar niveau. Het niveau van betrokkenheid is evenwel te laag. Het ondersteuningstraject heeft een impact gehad. Maar er was onvoldoende tijd om de bewoners te bevragen. Daartoe zou vervolgonderzoek nodig zijn. Daarbij stelt men zich de vraag hoe men kan communiceren met demente bewoners. Een mogelijkheid zou zijn om pictogrammen te gebruiken.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten