dinsdag 30 juli 2013

Hoe maken ze het? Bespreking


De kernvraag van deze blog draait rond de paradox van de moderniteit: in de moderniteit is de mens subject geworden, een persoon die voor zichzelf kan spreken. Het paradoxale is echter dat de mens op het zelfde moment tegelijk een object werd. Voor de moderne wetenschap is hij immers in de eerste plaats een studieobject. Hij wordt geobserveerd, gemeten en beoordeeld, maar er is nauwelijks ruimte voor dialoog. In dit opzicht is deze studie zeer interessant: ze werd uitgevoerd door het centrum voor ervaringsgericht onderwijs. Het CEGO beroept zich onder meer op Carl Rogers, een van de grondleggers van de humanistische psychologie. Als men zich wil afvragen of de wetenschap de mens als subject kan benaderen, moet men daarvoor niet gaan zoeken bij bijvoorbeeld het behaviorisme, omdat deze strekking dit al bij voorbaat uitsluit. Het CEGO gaat echter principieel uit van de mens als subject. We moeten echter vaststellen dat dit onderzoek dit niet waarmaakt. In de conclusies wordt dit ook toegegeven: "Graag hadden we ook de bewoners zelf bevraagd, maar gezien de korte tijd van het project en de begeleiding van tien afdelingen was dit niet haalbaar" 77. Eerlijk gezegd, vind ik dit een flauw excuus: tijd is hoe dan ook een kwestie van prioriteit. Men heeft duidelijk prioriteit gegeven aan een puur observerende benadering van de bewoners. Er is geen enkele inspanning gedaan om ruimte te geven voor enige vorm van introspectieve feedback. Men observeert het gedrag van mensen en men meent daaruit conclusies kunnen trekken over dat wat zich in hun innerlijk afspeelt. Dit komt ook tot uiting aan het eind van de tekst, waar men zich afvraagt hoe men in contact zou kunnen komen met dementerende bewoners. Er wordt dan gesuggereerd om eventueel met pictogrammen te werken. Men gaat er blijkbaar automatisch van uit dat met mensen met dementie niet gepraat kan worden. Vanuit een persoonsgerichte benadering, waarvan het onderzoek zegt uit te gaan 6, kan dit echter niet aanvaard worden. Alhoewel het "ik" van een dementerende persoon vervaagt, blijft hij mens een persoon, waarmee een gesprek mogelijk blijft. Dit vraagt veel geduld en empathie, maar dat laat niet weg dat men nog altijd met een persoon omgaat waarmee nog lang in het dementieproces een gesprek mogelijk is.

Het dominante denken in onze samenleving stelt het actieve leven centraal. Bij de opvoeding van kinderen is dat wellicht eerder voor de hand liggend. Het is echter zeer de vraag of men dit ideaal zonder meer kan doortrekken naar de behoeften van hoogbejaarde mensen. Als men observeert dat dat een bewoner gedurende lange tijd zit te mijmeren, kan men dan besluiten dat hij geactiveerd dient te worden, of dient men eerder te besluiten dat het voor die persoon deugd doet om stil te staan bij zijn herinneringen? Hoe kan men uit het gedrag "nietsdoen en mijmeren" besluiten dat dit voor de persoon in kwestie negatief is, zonder introspectieve feedback van hem te bekomen? Het gevaar voor verkeerde interpretatie lijkt me hier toch wel heel groot.

Uiteraard betekent dit niet dat men de inactiviteit moet promoveren, dat is het andere uiterste. Als de meerderheid van de deelnemers alleen toekijkt bij een activiteit, is het inderdaad mogelijk dat deze activiteit niet echt aanslaat bij de bewoners. Het is uiteraard zinvol om bewoners boeiende activiteiten aan te bieden. Maar het lijkt me wel riskant om dit enkel te beoordelen op basis van hun gedrag.

Interessant zijn wel de onderzoeksresultaten over de inbreng van de verzorging. Maar alweer draait dit rond dezelfde problematiek: verzorgers zijn doe-mensen. Ze zien zorgen heel vaak als praktisch bezig zijn: wassen, kleden, voeden, dingen doen. Bij de bewoners gaan zitten om een praatje te slaan, of gewoon aanwezig te zijn, ziet men niet als werken.

Dit laat niet weg dat het onderzoek zeker zijn waarde heeft. Het is zonder meer een goede zaak dat instellingen zichzelf bevragen en daarbij uitgaan van relevante categorie├źn. Welbevinden en betrokkenheid zijn ongetwijfeld goede invalshoeken om kwaliteit binnen woonzorgcentra te bevragen. Het begeleidingstraject in dit onderzoek blijkt inderdaad resultaten te hebben gehad. Maar het lijkt me dat er onvoldoende kritisch is nagedacht over de eigen uitgangspunten. Feedback vragen van de bewoners lijkt me hiervoor de meest voor de hand liggende methode. De onderzoekers zijn zich daar duidelijk van bewust, maar het is blijkbaar niet als prioriteit weerhouden.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten