donderdag 11 juli 2013

Binding en betekenis, een filosofie van de zorg, bespreking

Referentie


Vergeer Charles, Binding en betekenis, een filosofie van de zorg, Best, Damon, 1997, 128 p.

Bespreking


Met deze blog wil ik de ethiek van de zorg bevragen van uit een specifieke vraagstelling: hoe kan zorg in de moderniteit op een algemeen aanvaarde manier worden gelegitimeerd. Charles Vergeer, die oorspronkelijk een classicus is, draagt op een bijzondere manier bij aan deze problematiek. Hij vergelijkt het moderne denken op een zeer expliciete wijze met het antieke. Vanuit dit perspectief worden een aantal aspecten van het moderne denken in een zeer helder daglicht gesteld.

In de antieke wereld werd de werkelijkheid benaderd als "kosmos", harmonie. Zin en zijn waren verstrengeld. Dat betekent niet dat alle problemen onder de mat werden gemoffeld. Men erkende uiteraard ook het kwaad in de wereld, maar het wezen van de wereld was harmonie, de natuur zelf had een soort van ingebouwde doelmatigheid die de zin ervan uitmaakte. De werkelijkheid werd gestuurd door een interne logos: een verborgen maat die overal heerst. De werkelijkheid beheerste het denken. In de antieke en later in de christelijke wereld was er een gedeeld uitgangspunt van waaruit alles werd benaderd: God of de Rede.

"De verstoring van deze natuurlijke orde is de dageraad uit van de moderniteit" 89. Met Descartes komt het denkend ik centraal te staan. Er is geen objectieve werkelijkheid meer, alles draait om de mens. Het denken gaat over de werkelijkheid heersen en daardoor worden zin en zijn uit elkaar gehaald. Het leven heeft geen zin meer op zichzelf, zingeving wordt afhankelijk van onze wil. Zin zoeken wordt een actief proces waar ieder individu voor staat. Dit gegeven kleurt meteen ook de hulpverlening: wie niet in dit zingevingsproces slaagt, wordt in zekere zin ook beschouwd als iemand die als persoon mislukt is en dient extra ondersteund te worden.

Door het centraal stellen van het denkend ik, verdwijnt meteen ook het centrale referentiepunt. God is dood en de Rede wordt een individuele opgave. Daardoor ontstaat er een cultuur van moreel subjectivisme en moreel relativisme. Het eerste laat zich samenvatten in de uitspraak: "Dat vind ik nu eenmaal zo..." Het tweede staat voor een veelheid van interpretaties van de werkelijkheid. Er is geen eensluidend eindoordeel meer mogelijk, de samenleving wordt gekenmerkt door pluraliteit, er zijn geen universele waarden meer. De moderniteit heeft drie belangrijke kenmerken: men gaat ervan uit dat niets onmogelijk is, er is sprake van fixatie op middelen en van doelrationaliteit. In deze context wordt legitimering van "zachte" waarden dus een probleem.

Maar er is ook een tegenbeweging: daar waar zorg in de filosofie nauwelijks aan bod komt, zal Heidegger in de twintigste eeuw het begrip vrijwel centraal stellen in zijn denken. Men kan daardoor twee manieren onderscheiden om ons de wereld voor te stellen. De carthesiaanse stelt het denkend subject tegenover meetbare objecten. Door de metende - berekenende benadering van de wereld door het subject krijgt de werkelijkheid betekenis. Daar tegenover staat de benadering van de "weltlichkeit der welt" waarin de wereld en ons zijn in die wereld gestalte krijgt door een zorgend omgaan met de dingen. Vergeer stelt dat er tussen beide geen onoverbrugbare tegenstelling hoeft te bestaan: het zorgend omgaan met de dingen kan op zich niet gemeten worden, maar uiteraard moeten wel de ingezette middelen gemeten worden. Hoe dan ook zijn middelen altijd beperkt door schaarste. Maar dat laat niet weg dat er tussen beide standpunten wel een spanning bestaat.

Vergeer meldt nog een probleem: het denkend ik meent de werkelijkheid te begrijpen, maar heerst slechts over de eigen innerlijke wereld. We kennen niet de dingen zelf, maar wel hun betekenis. In se is dat een Kantiaanse stelling: "Das Ding an sich ist ein Unbekanntes". We kennen niet de werkelijkheid om ons heen, maar enkel de voorstelling die wij met onze zintuigen en ons denkvermogen van deze werkelijkheid maken. Vergeer trekt daaruit meteen een conclusie die voor de hulpverlening cruciaal is: "wie een mens volledig doorheeft, houdt niets over dan de eigen waan" 74, een opmerking die ieder hulpverlener zich eigen zou moeten maken. Men denkt al te vaak en al te snel mensen te kunnen taxeren, maar vergeet vaak dat een mens altijd ook een onbereikbaar mysterie zal blijven. Geen van de ons beschikbare meetschalen en observatiemethoden zal dit ooit kunnen verhelpen. In de termen van Dilthey: we kunnen de natuur als dusdanig wel proberen te verklaren, maar de sociale werkelijkheid moeten we trachten te begrijpen en dat is een veel complexer proces. We begrijpen wellicht vrij accuraat wat er op het organische vlak gebeurt als iemand ziek wordt, maar wat dat voor diezelfde persoon betekent is nooit helemaal te vatten.
Daarom zal zorg nooit een exacte wetenschap zijn en dus noodzakelijk ethisch, noodzakelijk normatief. Het is onmogelijk om zorgen tot een methodiek te verengen, omdat elke methodiek afhankelijk is van de heersende ideologie. Hulpverlening weerspiegelt de beperkingen van de tijd waarin hij zich afspeelt. Het denken over zorg is gebonden aan de heersende paradigma's. Daarom is het essentieel dat de normatieve keuzen die in de zorg gemaakt worden altijd in vraag kunnen gesteld worden. Het zijn ethische keuzen en ethiek is nooit absoluut, eeuwig, objectief. Het gaat altijd om nuances.

Het denken van deze auteur overspant bij wijze van spreken twee tegengestelde werelden. Als classicus die momenteel docent is aan een sociale academie, houdt hij de zorgverlening een voor haar zeer vreemde spiegel voor. Het antieke denken lijkt zeer ver te staan van de dagelijkse beslommeringen in de zorg. Dit spiegelbeeld blijkt echter zeer zinvol te zijn: het laat ons toe om los te komen van de vanzelfsprekendheden waarin we dagelijks werken en denken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten