donderdag 11 juli 2013

Binding en betekenis, een filosofie van de zorg, samenvatting

Referentie

Vergeer Charles, Binding en betekenis, een filosofie van de zorg, Best, Damon, 1997, 128 p.

Samenvatting


0. Inleiding

De auteur wil drie vragen stellen: (1) wie zijn die mensen; (2) wat is de betekenis en de zin van aangetaste levens en (3) hoe kunnen we ze helpen? Deze drie vragen komen overeen met de drie vragen van Kant: Wat moet ik kennen, wat mag ik hopen en wat moet ik doen? Om iemand te kunnen helpen, moeten we hem benaderen vanuit zijn totale persoon, als mens met zijn eigen levensverhaal. In de middeleeuwen was het geloof de spil van zin en zorgverlening. Vanaf de moderne tijd draait alles om de mens. Nietzsche maakt duidelijk dat onze bindingen, wortels, hechtingen in sneltempo aan het verdwijnen zijn. Enerzijds is dit positief, omdat onze keuzemogelijkheden enorm worden uitgebreid, maar anderzijds worden zingeving en zorgverlening in onze cultuur zeer problematisch.
Zorgverlening is onmogelijk zonder gesprek, maar in onze cultuur is dit problematisch geworden: er wordt veel gepraat, maar weinig gezegd. Onze cultuur wordt gekenmerkt door moreel subjectivisme en moreel relativisme. In de antieke of scholastische filosofie hanteerde men een gedeeld uitgangspunt: God of de rede. Op basis daarvan kon men zijn uitspraken argumenteren of legitimeren. Heden vertrekt met van het "Ik denk" van het zelfbewuste subject. Dit leidt tot moreel subjectivisme: "... dat vind ik nu eenmaal zo!" De uitbreiding van onze kennis leidt tevens tot een moreel relativisme: we worden geconfronteerd met veel verschillende interpretaties. Dit leidt tot een zekere neiging tot relativisme. De moderne samenleving is gekenmerkt door pluraliteit. Er zijn geen universele waarden meer.

1. Vragend verder

In de zorg kan je weinig doen zonder dat er ethische implicaties mee gemoeid zijn. Een methodiek zonder ethiek is blind. Oorspronkelijk was ethiek gebonden aan goden en verboden. De moderne ethiek is daarentegen gebonden aan mensen en machten. Bijgevolg is er geen houvast meer. (1) Politici gaat uit van nut en resultaat, maar dat is geen goed criterium. (2) Vaak kiest men "geluk" als criterium voor zorg, maar geluk is niet wezenlijk voor de mens. Aristoteles zag de wereld als atelès: onvoltooid. In de wereld is voortdurend een beweging zichtbaar naar voltooiing. Geluk is een toestand waarin je je kan bevinden, maar omdat de mens voortdurend streeft naar voltooiing, is geluk hoogstens een streefdoel, zeker niet een wezenlijke toestand van de mens. (3) We kunnen ons ook niet beroepen op de "natuur" van de mens en dus "natuurlijke keuzen" nastreven, omdat we de natuur voortdurend naar onze hand zetten. (4) Vaak tracht men ook uit te gaan van een "positivisme": door discussie en recht moeten we als mensen uitmaken wat waardevol is. We kunnen echter alleen maar vaststellen dat onze maatschappij enorm onrechtvaardig is en we er dus als mensen blijkbaar niet uitkomen.
De waarheid in de ethiek is niet absoluut, eeuwig of objectief. Het gaan om nuances. De techniek vergroot onze handelingsmogelijkheden, maar niet alles wat mogelijk is, is ook wenselijk. Ook methodiekontwikkeling in de zorg biedt ons geen oplossing: de gehanteerde methodiek is steeds afhankelijk van de heersende ideologie. Hulpverlening weerspiegelt dus de beperkingen van de tijd waarin ze zich afspeelt.

2. Weerwerk 1

Methodiek wordt vaak gezien als een "receptenboek". De grote ontdekking van de Grieken daarentegen was de "kritiek": vragen waarom iets zo is en niet anders. Socrates heeft deze vraag telkens opnieuw gesteld, tot men er zo geïrriteerd van werd dat hij de gifbeker moest drinken, maar met hem is de idee van de kritiek geboren en in de westerse cultuur ontwikkeld tot de kritische methode van de wetenschap. De waarheid moet gevonden worden door zowel rekening te houden met wat ikzelf denk, met wat de ander denkt, als met de werkelijkheid zelf.
Menselijk gedrag kunnen we benaderen door erin te berusten, door de ander als maakbaar te beschouwen of door hem te respecteren. Verantwoordelijk handelen betekent dat we kunnen antwoorden op vragen die ons over ons handelen gesteld worden. Maar de geldigheid van ons antwoord hangt ervan af of het door de ander begrepen kan worden en of de ander ermee kan instemmen. Je kan dus niet louter steunen op argumenten die alleen voor jezelf geldig zijn. Filosofie moet helpen zoeken naar een algemene waarheid.
Vrijheid is geen vrijblijvendheid. Vrijheid die alleen voor mezelf geldt is leeg en eigenlijk onvrij. Descartes meende dat het denkend ik de wereld kan beheersen, maar dit denkend ik begrijpt de wereld niet: het heerst slechts over zijn eigen innerlijke ruimte. De wil is altijd op iets anders gericht: ik wil "iets". Hetzelfde geldt voor onze gevoelens.
Sedert Descartes is het denkend ik het centraal gezichtspunt in het denken: men ziet niet dat er naast zijn eigen subjectieve voorstelling ook een objectieve voorstelling van de werkelijkheid bestaat. Het is maar door het weerwerk van de werkelijkheid dat er vragen en antwoorden ontstaan die verantwoording zijn. Door zich te verantwoorden betrekt de mens het algemene op de eigen werkelijkheid.
Er is maar een "ik" en dat ben ikzelf: de ander is "ander". Ik respecteer geen ander "ik", maar een ander persoon. Dat wat ik in de ander respecteer is diens vrije wil. Ik respecteer ook zijn eigenheid en dus zijn eigendom. Als ik zelf in mijn persoon gerespecteerd wordt en in mijn bezit geëerbiedigd, dan wordt ik in de werkelijkheid concreet gerespecteerd en dan is er ook sprake van recht. Dit betekent echter niet dat er ook sprake is van rechtvaardigheid, want uiteraard is het mogelijk dat de verdeling onrechtvaardig is.
Respecteren van de ander houdt in dat men de integriteit van zijn lichaam respecteert, de integriteit van zijn geest en dat men respect heeft voor zijn eigendom.
Wil, bezit en eigendom staan in een opmerkelijke verhouding tot elkaar: eigendom is niet iets wat slechts formeel bezit is, het wordt met meer recht bezeten als het daadwerkelijk gebruikt wordt. Leegstaande huizen mogen bijvoorbeeld in bepaalde omstandigheden gekraakt worden. Recht is daarentegen formalistisch, maar het moet wel redelijk zijn. Rechtvaardigheid mag geen abstractie zijn: alleen als de waarheid de werkelijkheid raakt is zij werkelijk en waar. Daarom wil de auteur een concreet ethisch denken ontwikkelen: de begrippen waarvan uitgegaan is: ik, wil, ander en eigendom zijn op zich leeg. Pas door weerwerk van de werkelijkheid worden ze concreet, werkelijk en waar.

3. Weerwerk 2

Het is door de wil dat de mens verantwoordelijk en vrij wordt. In de moderniteit wordt de mens verantwoordelijk voor wat hij weet en wil. Er wordt traditioneel een verschil gemaakt tussen verstand en wil, maar dat is een kunstmatige keuze. In het verleden werd de wil gezien als verbonden met de drift. Volgens de joods-christelijke traditie bracht de wil het kwaad in de wereld. De moderne wil keert zich tegen deze traditie, maar is daar maar gedeeltelijk in geslaagd.
Wil is niet hetzelfde als willekeur: “zo maar” iets doen is geen vrije wil. Vrije wil impliceert verantwoordelijkheid en bedoeling. Ze verandert de wereld en is de bron van vrijheid. Je wordt vrij omdat anderen je de vrijheid schonken, maar omdat je er zelf voor gaat. Vrij ben je maar als je weet wat je wil “zappen” is niet vrij. Dit heeft wel een aantal consequenties. Armoede bijvoorbeeld wordt nu meer gezien als een persoonlijke schuld. Men draagt dus niet alleen de armoede, maar ook de schuld. In de traditionele christelijke ethiek bestond de plicht om armen en zieken te helpen. Nu worden mensen aansprakelijk gesteld voor hun situatie. Dit heeft twee aspecten: enerzijds is het nu wellicht meer dan vroeger mogelijk om de gevolgen van je handelingen te voorzien: de maakbaarheid van de samenleving is vergroot. Anderzijds is de werkelijkheid veel gecompliceerder geworden.
Het grootste verschil tussen de oude en de moderne wereld is wellicht dat de mens in zijn handelen meer zal “willen” dan “moeten”.
Het kernpunt van de moderne ethiek wordt daardoor: dat wat ik wil, in overeenstemming brengen met wat anderen willen en met het weerwerk van de weerbarstige werkelijkheid.
Het verlangen geeft gestalte aan mijn wens om uit mezelf te treden, het is de open zijde van de mens: de transcendentie. De hoogste vorm van verlangen is liefde: verlangen naar de ander. De mens heeft ook een verlangen naar zin; Zorgen voor elkaar berust niet op aanwijsbare gronden: het wordt ingegeven door de ervaring van zin.

4. Vragen naar zin

In de moderniteit worden zin en zijn uit elkaar gehaald. Het leven heeft geen zin op zich: we kennen de zin van het zijn niet. Bijgevolg zijn er twee mogelijkheden: we hebben er zelf zin in of de zin komt van buiten; Gezien God dood is, kan het geloof geen zin meer geven. Dit heeft consequenties voor de hulpverlening: een leven waarin niets of alles mogelijk is, is zinloos. Het kan maar zinvol zijn in zijn beperktheden.
De filosofie heeft zich nauwelijks met lust ingelaten: ze wordt gezien als iets dat bijna dierlijk is en dus vijandig aan het denken. Ten gronde richt lust zich op iets concreet en ze is tijdelijk / voorbijgaand. Ze kan bovendien worden opgewekt: het gaat niet om een zelfbewuste daad. De erkenning van mijn lust door anderen is constitutief voor het kennen van de eigen lust.
We kennen niet de dingen zelf, maar hun betekenis. Het duiden van de dingen verwijst steeds naar iets anders dan de dingen zelf. Wie duidelijkheid schept, gaat aan de dingen voorbij. Wie een mens volledig “doorheeft” houdt niets over dan de eigen waan. Volstrekte duidelijkheid is volledige betekenisloos.
Als zin en bestaan iets is wat een subject aan de dingen hecht, gaan we uit van de zinloosheid van het bestaan. De zin van het bestaan is een voorstelling. Alle dingen verschijnen maar door een denkende geest, dus is alles zinloos zonder de mens.
Het moderne denken is tegengesteld aan het antieke. Voor Aristoteles is het niet het denken dat greep op de werkelijkheid krijgt, maar is het de werkelijkheid die haar greep op het denken nooit verliest. De werkelijkheid is zinvol als alles op zijn plaats terecht komt. Voor het moderne denken is er maar zekerheid te vinden in wat wij denken.
Maar het moderne denken dat uitgaat van zichzelf, komt uiteindelijk uit bij zijn illusies, terwijl het antieke denken, dat uitgaat van de natuur, zal uitkomen bij “zin”. Voor het moderne denken is het problematisch om zin aan iets te geven, terwijl dit voor het antieke denken in de dingen zelf ligt. Het antieke denken vertrok van de natuur: dat wat verschijnt bestaat maar op basis van het verborgen zijn. Daaruit ontstond een dualisme: dat wat wij zien (schijn, werkelijkheid) versus dat wat verborgen is (zijn, wezen). Plato onderscheid op basis daarvan twee verschillende manieren van kennen. In onze tijd moeten we ons bij de werkelijkheid houden. In het Hegeliaanse systeem is alles “hier”, “elders” is verdwenen. Sinds Kant en Comte lijkt de metafysica leeg. Voor de antieken was de werkelijkheid kosmos: harmonie. Deze spiegelde zich af in de mens. In het natuurlijke evenwicht had alles zijn plaats: de logos, de verborgen maat die overal heerst. Voor Aristoteles is er in alles in alles een doel (telos) verborgen. Dit verdwijnt in het moderne denken zodat alles zinloos wordt.
De zin van ons leven is in het moderne denken gebonden aan bewustzijn. Veel dingen zijn echter onbewust. Hechting is in deze manier van denken de beste vorm om zin te bewaren. Zonder hechting ervaren kinderen het bestaan als zinloos. Zin wordt ook ervaren door het zinvolle verband (gezin – werk – ...) Het probleem stelt zich echter dat de moderne mens minder gehecht is.
In de antieke wijsbegeerte werd de wereld gezien in het perspectief van een grootse natuurlijke ordening. De verstoring van de natuurlijke orde is de dageraad van de moderniteit. Aristoteles zag ook dat er in de wereld kwaad bestond, maar de gedachte dat de wereld schoonheid, goedheid, orde is, stond centraal. In de moderniteit heeft het leven geen zin, maar afhankelijk van onze wil, kunnen we er wel zin aan geven. Zin geven is willen, actief en krachtig aan de slag gaan. De mens is volgens Sartre dat wat hij van zichzelf maakt. Hij is zozeer op zichzelf en zijn eigen denken aangewezen, dat hij niet meer kan openstaan voor de eigen zelfstandigheid van iets in de werkelijkheid.
In een technische wereld is de tijd van belang: alles groeit op op zijn tijd. In een technische wereld geldt dit niet: de mens bepaalt zelf de productietijd. Daarom was passief blijven in de oude wereld een vorm van wijsheid. In een maakbare wereld moeten we actief zijn. De elementen van een technische wereld zijn: (1) niets is onmogelijk; (2) fixatie op middelen en (3) doelrationaliteit.

5. Zorg

In de westerse filosofie werd weinig aandacht aan zorg besteed. De grote uitzondering is Sein und Zeit van Martin Heidegger. Deze maakt twee stappen. (1) Ons er-zijn is een er-zijn-in-de-wereld. Dit er-zijn-in-de-wereld is zorgend. (2) Zorg is verbonden met het tijdelijke. Zorgen is voorzien, een oog hebben voor de toekomst. Het is een van de vormen van de tijdelijkheid.
In de moderniteit is er sprake van twee opvattingen van de werkelijkheid. De cartesiaanse opvatting stelt dat de werkelijkheid de voorstelling is die een denkend ding (subject) zich maakt van een meetbaar ding (object). Daar tegenover staat de weltlichkeit der welt: de wereld en ons zijn in de wereld krijgt gestalte door een zorgend omgaan met mensen en dingen. Dit laatste is het tegendeel van meten en berekenen. maar daarbij stellen zich problemen. De vraag stelt zich hoe kwaliteit van zorg gemeten kan worden. Men mag tederheid, gevoelens, zachtheid, zorgzaamheid niet berekend geven, maar men moet wel berekenen hoeveel het ons kost en wat het opbrengt. Er is geen onoverbrugbare tegenstelling tussen het zorgzaam omgaan met de wereld en het berekenend en metend benaderen ervan.
Volgens Heidegger is het erzijn gevestigd op een afgrondelijke angst. Deze angst wordt opgeroepen door het niets. Heidegger baseert zorg dus op angst, maar dat moet men alleszins zien in het tijdskader waarin Heidegger leefde: hij was zijn geloof verloren en is de eerste volkomen christelijke denker. In een christelijke wereld is zorg, zorg voor de ziel. Heidegger situeert de zorg in een heilloze wereld. Het is door de belemmeringen van elke dag dat wij de wereld ervaren. Zorg is bezig zijn met deze belemmeringen. Door zorg wordt de wereld werkelijk en klampen wij ons aan het bestaan vast.
Verbondenheid met anderen verbreedt ons eigen bestaan. Elkaar erkennen is het wezen van zorg dragen. Dit stelt zich op zes niveaus. (1) Het is een voorwaarde om te kunnen bestaan (baby's, intensive care, ...) (2) Het garandeert het bestaansminimum (daklozen, armen, ...) (3) Het zorgt ervoor dat mensen zelfstandig kunnen bestaan. (4) Het verhoogt de kwaliteit van het leven. (5) Het is een doel op zichzelf. Dit heeft een negatieve zijde: waar het gaat om een cultuur van afhankelijkheid, maar het is beter zorg te benaderen als "empowerment".

Geen opmerkingen:

Een reactie posten