zondag 17 februari 2013

Morele oordeelsvorming en de integere organisatie, bespreking


Bijkomende referentie

Foucault Michel, Les mots et les choses, Paris, Gallimard, 1966, 400 p.


Bespreking

Dit boek is op het eerste gezicht een vreemde eend in de bijt van deze weblog: strikt genomen gaat het helemaal niet over zorgethiek. Toch meen ik dat het in belangrijke mate kan bijdragen aan het zorgethische denken.

Vooreerst staat het voor een verruiming van de morele oordeelsvorming tot ongeveer alle menselijke handelingen. Integriteit slaat volgens de auteurs niet alleen op zwaarwichtige beslissingen waarbij belangrijke financiële transacties betrokken zijn: overal waar in menselijke relaties recht dient te worden gedaan aan een ander, staat de integriteit op het spel. Daarom wordt het wassen van een bejaarde persoon waarover in het vorige artikel gesproken werd, een zaak van integriteit. Wie een mens in een dergelijke kwetsbare positie als "lijf" behandelt, en niet als "mens", doet hem geen recht en stelt dus op dat moment een niet-integere handeling.

De ideeën die in dit boek ontwikkeld worden over het overheidsapparaat gelden ook voor de zorg: de juiste regels toepassen is niet voldoende. Een minutieus en volumineus uitgewerkt kwaliteitshandboek garandeert nog geen goede zorg! Wie in alle omstandigheden correct "het boekje volgt" kan zeer slechte zorg verlenen.
 
Bovendien wordt er door deze auteurs op een zeer fundamentele manier nagedacht over het werken in een organisatie. Ook dit is van belang voor zorgverlening, omdat zorg vaak wordt uitgeoefend in de schoot van grote organisaties. Daarin worden de medewerkers geconfronteerd met een aantal "verborgen verleiders". Voor de zorg is daarvan wellicht de belangrijkste dat een organisatie niet alleen een samenwerkingsverband is, maar ook een samenlevingsverband. Bijgevolg bestaat er ook een organisatie van onderuit die wordt gestuurd door de druk van de collegialiteit. Dit is in die zin problematisch dat de lagere echelons vaak een eigen agenda hebben: "ze voegen zich zelden of nooit naar het ontwerp, de taakstelling of de verwachtingen van de leiding van de organisatie.91" Misschien moet dit in een zorgorganisatie enigszins genuanceerd worden, omdat er altijd een persoonlijke relatie bestaat tussen de zorgvrager en de uitvoerende zorgverlener. Binnen die relatie wordt een appel aan de zorgverlener gedaan. Toch meen ik — onder meer uit ervaring — dat er wel degelijk een druk van onderuit bestaat die integer handelen in de weg kan staan.
 
Dit inzicht is alles behalve voor de hand liggend in het ethisch denken: traditioneel gaan de meeste ethische denkers uit van de onaantastbaarheid van het ethische subject, dat daarbij louter als individu wordt benaderd. In dit werk wordt ruimte geschapen om ethisch te denken, vertrekkend van mensen van vlees en bloed, in hun goedheid, maar ook in hun zwakheid. En bovendien gaat men ervan uit dat niemand louter individueel handelt: de sociale context van de organisatie waarin men leeft en werkt, beïnvloedt onvermijdelijk het handelen. Het is dan ook essentieel om de mens als handelend wezen te benaderen vanuit de context waarin hij leeft en niet louter als solitair handelend subject.

Vanuit deze inzichten wordt een methode uitgewerkt om met de medewerkers binnen een organisatie tot een moreel handelen te komen. Deze methode is uitgewerkt in zeven stappen, waarbij niet alleen zeer zorgvuldig wordt omgegaan met de rationele aspecten van het besluitvormingsproces, maar ook aandacht wordt gegeven aan het emotionele in de mens. Dit is andermaal een zeer belangrijk aangrijpingspunt voor de ethiek van de zorg: een goed evenwicht tussen rationaliteit en emoties is een conditio sine qua non voor goede zorg.
 
Maar de auteurs wijzen er ook op dat deze methode geen toverformule is: ze is niet bedoeld om zondaars te bekeren. We zouden de oordeelskracht en wilskracht van de ambtenaren overvragen als we de integriteit enkel zouden laten afhangen van het zelfstandige morele oordeel. Er is dus ook een handhavingspraktijk nodig. 39 Voor wie niet in staat is om een juiste morele houding aan te nemen, is er het tuchtsysteem. In extremis horen deze mensen niet thuis in een overheidsorganisatie en ook niet in een zorgorganisatie.
 
Ik meen echter dat er wel een belangrijk verschil is tussen integriteit bij ambtenaren en integriteit in de zorg. De auteurs van dit boek stellen terecht dat voor openbare ambtenaren geldt dat "een beetje integriteit niet bestaat." In de zorg zou ik dit echter niet zo absoluut durven stellen. De menselijke verhoudingen in de zorgverlening zijn veel complexer dan in de ambtenarij. Daarom wil ik in de zorgverlening niet zozeer pleiten voor het streven naar perfectie, maar eerder voor het recht om fouten te maken, op voorwaarde dat die fouten kunnen begrepen worden als een leerproces. Intense menselijke relaties zijn per definitie nooit perfect, maar gebaseerd op een proces van vallen en opstaan. Uiteraard kan dat alleen werken als de zorgverleners daarin worden getraind. De zevenstappenmethode en de socratische gespreksvoering zijn ongetwijfeld bruikbare methoden om in deze begeleiding te voorzien.​ Het boek toont echter ook ten overvloede aan dat het noodzakelijk is om in deze methodiek te investeren. Het begeleiden van een goede morele oordeelsvorming vergt heel wat vaardigheden.

Tot daar niets dan lof over de inzichten van dit boek. Toch heb ik ook enige vragen. Alhoewel de in dit werk aangereikte methode zeer goed zit, heb ik enige bedenkingen bij een aantal filosofische achtergronden die in dit boek worden aangereikt.


De auteurs stellen dat zij een objectieve methode hanteren om tot morele oordeelsvorming te komen. Daar heb ik geen enkel probleem mee, maar zij trekken daaruit de conclusie dat het morele oordeel dat uit deze procedure ontstaat, niet historisch en niet cultureel bepaald is. Het lijkt mij correct om een via deze methode bekomen moreel oordeel objectief te noemen. Het is ontstaan door een communicatieve interactie binnen een groep mensen die alle mogelijke inspanningen doet om tot een zorgvuldig oordeel te komen, maar deze mensen zijn zelf wel historisch en cultureel bepaald. In elke samenleving bestaat er zo iets als een geheel van denkinhouden waarbinnen zich het denken van die tijd en cultuur afspeelt. Michel Foucault noemt dat een epistème. Het is een illusie te denken dat onze tijd daaraan ontgroeid is. Er wordt wel eens op gewezen dat de universele verklaring van de rechten van de mens een opsomming van de rechten van het individu is. Zij is dus wellicht universeel binnen onze cultuur, maar tegelijk wel historisch bepaald. Andere culturen zouden bij het opstellen van een universele verklaring bijvoorbeeld meer de nadruk kunnen leggen op het gemeenschapselement.
 
In dit boek wordt onder meer gesteld dat de hedendaagse mens sterk gericht is op strategisch, doelgericht handelen. De gigantische milieuproblemen waarmee wij momenteel worden geconfronteerd, zijn daar mede het gevolg van. Het is best mogelijk dat latere generaties daar een totaal ander idee over zullen hebben. Dit is geen pleidooi voor relativisme. De in dit boek aangereikte methodiek staat voor een open dialoog en dat is een goede zaak. Vanuit een dergelijke dialoog kan men met recht kritische vragen stellen over andere én over de eigen cultuur. Maar mij dunkt kan men dit alleen doen vanuit het besef dat men onvermijdelijk historisch en cultureel bepaald is.

In het verlengde daarvan heb ik tevens een bedenking bij een uitspraak op pagina 196, waarin met een verwijzing in een voetnoot naar Plato wordt gesteld dat het goede en het rechtvaardige een zijn. Hier wordt het wel heel erg metafysisch. Eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik me bij deze eenheid van het goede en het rechtvaardige moet voorstellen. Bovendien meen ik dat de gedachte dat alles een is altijd een zeker gevaar inhoudt om het "andere" weg te strepen. Daarvan zijn er in de geschiedenis al te veel voorbeelden te vinden. Daarom denk ik dat het beter is om naar een consensus te zoeken vanuit de ervaring van een onherleidbare veelheid en verscheidenheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten