zaterdag 9 februari 2013

Morele oordeelsvorming en de integere organisatie


Referentie

  • Delnoij Jos, Laurier Jan en Geraerdts Frans (red.), Morele oordeelsvorming en de integere organisatie, Budel, Damon, 2006, 249 p.
  • http://www.gi-nederland.com/ : website van Governance and integrity Nederland

Samenvatting

  1. Inleiding

Onze samenleving wordt gekenmerkt door secularisering en individualisering. De hedendaagse mens wordt daardoor meer dan vroeger geconfronteerd met morele vragen. Het is wellicht een overschatting te denken dat men alle gestelde vragen louter op eigen kracht kan beantwoorden. Bijgevolg moet er gewerkt worden aan een voldragen morele oordeelsvorming. Dit boek reikt daartoe een methodiek aan. Een integere overheid is een conditio sine qua non voor het bestaan van de rechtstaat. Vandaar dat een integriteitsbeleid voor de overheid zeer belangrijk is. Het ondersteunen van de morele oordeelsvorming van de ambtenaren is de basis van elk integriteitsbeleid.
Politiek en recht zijn zelfreferentiële systemen (ze refereren alleen aan zichzelf) 16. Dat geeft echter geen legitimering bij de burger, om dat te bereiken moet de politiek moreel juist handelen. De juiste regels toepassen is niet voldoende, zoals Hannah Arendt heeft aangetoond aan de hand van het proces van Adolf Eichmann.
De ethiek van de oudheid tot aan het ontstaan van de moderniteit was een deugdenethiek. Vanaf de moderniteit wordt het handelen gericht op persoonlijke doelen: eigen geluk en genot worden maatstaven voor goed handelen. Strategisch handelen komt centraal te staan.

  1. De ontdekking van het morele oordeel.

De democratie en de mensenrechten zijn twee belangrijke gestalten die de gerechtigheid heeft aangenomen. Uit het besef dat de democratie de moeite waard is om verdedigd te worden, groeide de bekommernis om de integriteit van de overheid. De ontdekking van het morele oordeel heeft in sterke mate te maken met de secularisering. De betekenis daarvan wordt onderschat. Omdat politiek en recht zich van de religie hebben losgemaakt, werden ze een zelfreferentieel systeem. (Of eerder een duo-referentieel systeem: ze verwijzen naar elkaar. 28) Maar dit faalt op een essentieel punt: de medewerking van de burger. Daarom is het moreel oordeel zo belangrijk: alleen daardoor kan vrijwillige consistente medewerking van de burger gewaarborgd worden. Dat betekent echter niet dat burgerlijke ongehoorzaamheid altijd uit den boze is.
Bovendien leggen politiek en recht enkel minima vast. Dit is onvoldoende om de samenleving optimaal te laten functioneren. Het morele oordeel komt daar bovenop.
In het filosofische debat rond het morele oordeel is de figuur van Nietzsche zeer belangrijk. In de "Genealogie van de moraal" stelt hij dat de moraal zich op externe elementen beroept (God). Dit betekent uiteindelijk het failliet van de moraal. "Nietzsche's kritiek laat (...) de mogelijkheid open (...) voor een denken dat de morele kwestie als een eigenstandige, want irreductiebele en laatste vraag construeert en zijn eigen genre argumenten schept en zijn eigen procedures. 32" In de twintigste eeuw nemen drie belangrijke denkers deel aan dit debat: Levinas (gerechtigheid), Habermas (communitarisme) en Derrida (het morele als principieel onafsluitbaar leerproces). Ook het werk van Hannah Arendt over Adolf Eichmann is belangrijk: zij toont aan dat Eichman leed aan een gebrek aan oordeelskracht. Psychisch gezonde mensen zijn tot verschrikkelijke dingen in staat als het hen aan morele oordeelskracht ontbreekt. In een tijdperk waarin de religie en de traditionele moraal kracht beginnen te verliezen maar het zelfstandig moreel oordeel nog niet is ontwikkeld, ontstaan er grote risico's.
Op de vraag of een handeling of beslissing moreel juist is, kan altijd een eenvoudig ja/nee antwoord worden gegeven. Een handeling is moreel juist als er recht wordt gedaan aan de ander (aan alle betrokkenen - aan iedereen). Dus is een handeling moreel juist als er voldoende rekening wordt gehouden met de rechten, belangen en wensen van alle betrokkenen. Daarbij gaan rechten boven belangen en deze boven wensen. Rechten veroorzaken een handelingsverplichting. Belangen en wensen een gevolgenredenering.)
Oordeelsvorming gebeurt in vijf fasen: (1) de beslissing wordt bepaald als een handeling en zijn alternatieven; (2) alle betrokkenen worden benoemd; (3) belangen, wensen en rechten worden in kaart gebracht; (4) de handelingsalternatieven worden tegen elkaar afgewogen en (5) de morele gevoelens worden gemobiliseerd om de zuiverheid van de argumentatie te controleren 38. Hieruit ontstaat een moreel oordeel dat niet subjectief is, niet cultuurafhankelijk en niet historisch bepaald.
We zouden echter de oordeelskracht en wilskracht van de ambtenaren ondergraven, als we de integriteit van het zelfstandige morele oordeel enkel zouden laten afhangen van het zelfstandige morele oordeel. Er is dus ook een handhavingspraktijk nodig 39.

  1. Procedure voor het morele oordelen

Integriteit is een vaag begrip dat drie aspecten heeft: (1) moreel oordelen, (2) regelgeving en (3) beperken van integriteitsrisico's. Het eerste is tevens het belangrijkste aspect. Om te bepalen of een oordeel moreel juist is, maakt men gebruik van de "zevenstappenmethode".
(1) Voor welke keuze sta ik? Welke is de voorlopige keuze en welke alternatieven zijn er? Tevens moet men nagaan wat het belangrijkste bezwaar is tegen zijn voorlopige keuze.
(2) Wie zijn de betrokkenen en met wie moet er rekening worden gehouden?
(3) Wie neemt de beslissing: Ik. Dit houdt een democratisering van het morele gezag in: het morele oordeel wordt geïndividualiseerd 46.
(4) Heb ik meer informatie nodig? Daarbij is het belangrijk dat men ook leert nadenken over de positie van anderen 47.
(5) Wat zijn de argumenten? Alle argumenten moeten in overweging genomen worden.
(6) Tot welke conclusie kom ik? Daarbij moet men aan alle argumenten het juiste gewicht geven. Beginsel-ethische argumenten (rechten) gaan boven gevolgen-ethische argumenten (belangen en wensen), tenzij de gevolgen van deze laatste uitermate ernstig zijn. Wie heeft schade aan de beslissing en hoe kunnen we dat verminderen 48?
(7) Heb ik een goed gevoel bij de beslissing? Als dat niet zo is, heb ik wellicht stappen overgeslagen.
Een moreel oordeel dat via deze procedure bekomen wordt, is niet subjectief. Ieder die in mijn plaats het oordeel maakt, zal onvermijdelijk tot dezelfde conclusie komen 49.
Moreel oordelen staat niet tegenover juridisch handelen, het is er een aanvulling van. Niet alles is in de wet bepaald, ambtenaren zullen altijd ook moeten oordelen. Het is wel in tegenstrijd met religieus oordelen. Religieuze voorschriften zijn absoluut. Ambtenaren mogen zich niet in absolute zin beroepen op hun geloofsovertuigingen.

  1. Ambtenaren en integriteit

Met de integriteit van de overheid staat of valt het vertrouwen in het bestuur. Integriteit is een vrij absoluut gegeven: een beetje integriteit bestaat niet. De burgers zijn van ambtenaren afhankelijk ten gevolge van het monopolie van de overheid. Daarom moet hun handelen een morele toets doorstaan. Moraliteit is echter niet voldoende voor een ambtenaar: ook als hij zijn plicht doet, kan hij zich onverantwoord gedragen (cfr. A. Eichmann) Een ambtenaar moet bijgevolg signaleren wanneer zijn beroepsmoraal leidt tot morele misverstanden. Hij moet dus tegen de mening van de meerderheid durven ingaan. De meeste mensen durven dat niet, bijgevolg zijn dilemmatrainingen nodig.
Uiteraard gaat integriteit ook over de manier waarop ambtenaren met macht omgaan. Een benadering waarin integriteit alleen wordt gezien in het licht van het al dan niet misbruiken van macht is echter veel te eng. Er zijn niet voor alles regels. Ambtenaren hebben dus in heel wat situaties een interpretatiemogelijkheden. Het is essentieel dat zij daar op een verantwoorde manier mee omgaan. In een complexe situatie kunnen regels niet zonder meer van bovenaf worden opgelegd. Het gezag moet dus van binnenuit komen. De ambtenaren moeten zich met het gezag identificeren. Daarom moeten ze hun beroepsmoraal met enige distantie kritisch kunnen evalueren en zich de uitkomsten van deze evaluatie toe-eigenen. Bovendien moeten er in een complexe samenleving voortdurende afwegingen gemaakt worden tussen tegenstrijdigheden. Maar daar volgt ook uit dat ambtenaren zichzelf moeten beschermen tegen morele zelfverloochening: een functie kan meer vragen dan een ambtenaar voor zichzelf kan verantwoorden. Een en ander heeft tot gevolg dat er een heel ander beeld van de ambtenaar ontstaat. Integriteit wordt niet meer gezien als gehoorzaam uitvoeren van de regels, maar als een professionele verantwoordelijkheid. Negatief gezien is machtsmisbruik uit den boze: men mag geen fouten maken en positief gesteld moet de ambtenaar zijn verantwoordelijkheid nemen. Het gaat dus om verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen 72.

  1. Code red: de verborgen verleider

Er zijn een vier spanningsvelden die integriteitsrisico's veroorzaken. (1) De nevenactiviteiten die door de ambtenaren worden uitgeoefend, zowel privé als in dienst van de gemeente, kunnen tot tegenstrijdige belangen leiden. (2) Ambtenaren worden meer en meer ingezet in activiteiten die ondernemerschap vereisen. Daarbinnen geldt echter een andere logica dan in de klassieke ambtenarij. 82 (3) Ook de relatie met de bestuurders kan tot integriteitsrisico's leiden, omdat (politieke) bestuurders ook vaak een andere rationaliteit hanteren.
Het concept van de ondernemende overheid (meer gepropageerde stijl van werken, klantgerichtheid, resultaatgerichtheid, afwegingen op basis van kosten) zal tot meer dilemma's leiden. Het staat op bepaalde punten op gespannen voet met de principes van een klassiek overheidshandelen.
(4) Een organisatie is niet alleen een samenwerkingsverband, maar ook een samenlevingsverband 91. De lagere echelons voegen zich zelden of nooit naar het ontwerp, de taakstellingen of de verwachtingen van de leiding van de organisatie. Er is dus ook een organisatie van onderuit. Ook dat is een bron van verleiding: de druk van de collegialiteit.
Verleidingen zijn de primaire risicofactoren. Men kan deze verleidingen op verschillende manieren bestrijden. (1) Investeren in de relatie tussen de ambtelijke top en het college op basis van vertrouwen, openheid, veiligheid, respect. (2) Professionalisering van top en bestuurders. (3) Uitbouwen van een meer collegiaal bestuursmodel: pacificatie van de spanningen tussen beheerders en topambtenaren 93. (4) Aanscherpen van het beleid op het gebied van nevenactiviteiten en ondernemerschap.
Naarmate men lager afdaalt in de organisatie hebben de richtlijnen de neiging om de waarden vertrouwen en respect te verliezen ten voordele van rigiditeit. Dit versterkt de tendens tot organisatie van onderuit: de regels worden collectief genegeerd of omgebogen. Als de hogere echelons zich meer kunnen permitteren dan de lagere, krijg je problemen. Voor integriteitsvraagstukken zijn het besef van individuele verantwoordelijkheid en morele competentie cruciaal 95. Bijgevolg moeten niet alleen de klassieke risico's worden in rekening gebracht (steekpenningen, ...) maar elke vorm van niet-professioneel handelen of de schijn daarvan.
Het is dus belangrijk om de risico's op het terrein in kaart te brengen: (1) in welke mate zijn er verleidingen; (2) in hoeverre zijn er duidelijke gedragsnormen en (3) in hoeverre worden die nageleefd en is er controle. Maar de oude opvattingen over de bureaucratie werken wel niet meer: de maatschappij is veel ingewikkelder geworden. Ambtenaren moeten veel meer in niet-standaard situaties oordelen, zonder de wettelijke kaders uit het oog te verliezen.

  1. Bij nader inzien

In dit hoofdstuk worden een aantal primaire reacties besproken van deelnemers aan trainingen morele oordeelsvorming.
- weerstanden i.v.m. een beperkte opvatting over integriteit (het is louter subjectief, ondefinieerbaar, niet te leren, het gaat om je karakter, het is een luxeprobleem, ...)
- weerstanden i.v.m. het gesprek: het is zinloos om erover te praten omdat het een kwestie van smaak is, omdat alleen de macht telt, ...
- weerstanden i.v.m. de intentie van het gesprek: het is een verdoken terechtwijzing, de gesprekspartner twijfelt aan mijn integriteit,...
- weerstanden i.v.m. het morele kaliber of de deskundigheid van de trainer of de leidinggevende
- weerstanden i.v.m. beelden van de organisatie, leidinggevenden, ... (de top is veel corrupter dan de basis)
- weerstanden i.v.m. eerdere ervaringen (bv. disciplinaire maatregelen in het verleden)
- weerstanden t.g.v. onverschilligheid: desinteresse, cynisme t.o.v. de organisatie
- weerstanden t.g.v. randvoorwaarden (onduidelijkheid over de aard van het gesprek, over de mogelijke uitkomsten, ...)
Het is zeer belangrijk om bij deze reacties stil te staan bij het begin van de training. Het is ook belangrijk om op voorhand te weten wat er met de resultaten zal gebeuren: de trainer moet veiligheid creëren voor de deelnemers. Het gaat niet om in de eerste plaats om kennisoverdracht, maar om samen te leren nadenken over het juiste morele oordeel. De trainer is facilitator, hij moet zelf geen morele oordelen vellen, hij moet enkel het gesprek mogelijk maken. Vaak is er ook veel kritiek op de leiding van de organisatie. Als deze de verdere inhoudelijke discussie ondermijnt, moet men dit eerst bespreekbaar maken. Belangrijk is daarbij de kritiek concreet te maken door middel van voorbeelden.
Een hevige reactie van de deelnemers is een teken van betrokkenheid. Daarom is het belangrijk om elke reactie serieus te onderzoeken.

  1. Criteria voor de keuze van een voorbeelddilemma

Een training morele oordeelsvorming werkt met voorbeelddilemma's. "Algemene regels en gedragscodes kan men uit het hoofd leren, maar om ze te internaliseren en toe te passen in een concrete situatie, is het nodig dat we het oordeelsvermogen oefenen met behulp van voorbeelden. 125" Een training morele oordeelsvorming is niet bedoeld voor mensen die niet integer zijn. Zulke mensen zullen niets leren met het oefenen in morele oordeelsvorming.
Het is dus zeer belangrijk om met een goed voorbeeld te werken.
Er werden vijf criteria geformuleerd om tot een goed voorbeeld te komen. (1) Het voorbeeld moet concreet en werkgerelateerd zijn. Het moet betrokken zijn op de bevoegdheden van de aanbrenger zelf, of evt. van een ander groepslid 129. (2) Het moet actueel zijn, inhoud en gewicht hebben. Daarbij zijn ook emoties zeer belangrijk: deze kunnen heel verhelderend werken 132. (3) het moet gaan om een kerndilemma waarin men zich herkent. Het moet dus inherent zijn aan de kerntaken van de groep 133. (4) Er moet verdeeldheid zijn: er moet ook niet perse consensus ontstaan: het doel is te leren oordelen en morele competenties te ontwikkelen. Belangrijk is dat kernwaarden met elkaar strijden zoals rechtsgelijkheid tegen veiligheid. Zonder strijd is er geen echt dilemma. Het mag niet gaan om een goed-fout dilemma: een dilemma ontstaat maar wanneer het niet duidelijk is wat goed en fout is. Het mag ook niet te complex zijn en het mag geen voorbeeld zijn waarin wezenlijke informatie ontbreekt 136. (5) De inbrenger moet een rol spelen in het voorbeeld. Hij moet het verhaal helder en beknopt kunnen brengen. Tevens moet hij reflexief ingesteld zijn en stevig in zijn schoenen staan 137.

  1. De waarde van informatie bij het vormen van een moreel oordeel

Dit artikel gaat verder in op stap 4 van het zevenstappenplan: de vraag of men over voldoende informatie beschikt om te kunnen oordelen. Belangrijk is dat men ook informele informatie moet betrekken. Deze laat toe om de motieven van de deelnemers beter te begrijpen. Bij het verzamelen van informatie worden drie klassieke fouten gemaakt. (1) Het weglaten van de morele intuïties. Daardoor ontstaat er een min of meer juridisch oordeel waarin de morele actor zich niet herkent. (2) Het weglaten van morele principes. Daardoor verwordt het morele oordeel tot een louter emotioneel oordeel, persoonlijke mening of "toogpraat". (3) Het weglaten van moreel relevante feiten. Daardoor ontstaat er een hypothetisch, fictief, niet reëel oordeel. Kennis over de concrete situatie is dus essentieel 142.
Informatie dient om de ander en zijn beweegredenen fundamenteel te begrijpen. "Een dergelijke insteek waarbij de beweegredenen van personen expliciet worden onderzocht en waarin men probeert zicht te krijgen op de betekenis die mensen geven aan de wereld om hen heen, wordt door de ethicus Widdershoven de 'hermeneutische benadering' van de ethiek genoemd. 147" De trainer heeft daarbij geen sturende rol, hij heeft de ander geen morele wetten op te leggen. Hij moet de praktijk interpreteren, de impliciete maar aanwezige ethische oriëntatie van de praktijk expliciteren en ter discussie stellen.
Veel mensen blijken opgelucht te zijn dat de trainer geen oordeel over goed en kwaad velt. De praktijk staat centraal. Men moet zowel rekening houden met feitelijke - neutrale informatie als met niet-feitelijke emotionele gegevens. Een hermeneutische insteek maakt de informatie rijker.

  1. Cultiveren van de moed om het moreel juiste te doen

Dit artikel vertrekt van het filosoferen met kinderen. Daarbij wordt de klas georganiseerd als een "community of enquiry". Communities of enquiry respecteren kinderen als experts op het gebied van de persoonlijke ervaringen die ze inbrengen en als actieve deelnemers in het scheppen van kennis. Epistemologisch gezien beinvloedt het feit dat zij jongen of meisje zijn en dus geslachtsbepaalde lichamen hebben, hoe zij de wereld begrijpen. Denken is niet iets wat we alleen maar met ons hoofd doen. Ons hele lichaam is er bij betrokken: het omvat onze emoties, onze interactie met anderen en hoe we ons leven zien 154.
Onze taal bevat veel dichotomieën: man/vrouw, voelen/denken, geest/lichaam... Dit model stelt daartegen een bredere kijk op rationaliteit: het dekt de invloed die onze lichamen hebben op de manier hoe we betekenis maken. Belangrijk daarbij is dat de begeleiders vooral goed naar de kinderen kunnen luisteren.
De achtergrond van dit werken met kinderen is dat men de democratie erkend als politiek en moreel begrip. De centrale waarden daarin zijn gelijkheid en autonomie. Democratie vereist daarom een niet-autoritaire morele opvoeding.
Deze werking met kinderen vertrekt van het zevenstappenmodel. De derde stap: "Wie neemt de beslissing?" bleek echter overbodig te zijn. Er blijven dan nog zes stappen over. Deze werden aangeduid met symbolen. Men werkt met kringgesprekken, waarbij men vaak uitgaat van beeldmateriaal: er worden prenten en foto's op de grond gelegd waarbij elk kind kan aanduiden of deze beelden iets met moraliteit te maken hebben. Er wordt ook gewerkt met morele dilemma's die door de kinderen worden aangebracht, maar met jongere kinderen wordt ook gewerkt met dilemma's die door de begeleider worden aangebracht.
Deze lichamelijke en beeldende aanpak kan helpen voor jonge kinderen, maar ook voor oudere personen die niet zo taalvaardig zijn.

  1. Integriteit van het morele oordeel als streven naar consensus

De mate waarin met verschillen wordt omgegaan, bepaalt in hoge mate de kwaliteit van het morele oordeel. Integriteit kan worden gezien op persoonlijk vlak: authentiek optreden, handelen volgens de kwaliteiten en deugden verbonden aan de eigen persoonlijkheid. Maar integriteit kan ook gezien worden als handelen op basis van zorgvuldige afwegingen. Het probleem is dat het bij beide invalshoeken gaat om een individuele benadering. De vraag is dus hoe we komen tot een gezamenlijk inzicht.
Men kan integer handelen als volgt omschrijven: " Handelen op basis van zorgvuldige afwegingen waarbij rekening gehouden wordt met de rechten, wensen en belangen van alle betrokkenen. 179" In dat opzicht is consensus geen vrijblijvende keuze, maar een intrinsieke eis van onze redelijke vermogens zelf.
Streven naar consensus is niet hetzelfde als streven naar een compromis. Een compromis houdt in dat iedereen wat water bij de wijn doet, dit kan niet op het niveau van rechten en beginselen. Morele verontwaardiging houdt een claim van algemene geldigheid in. Bijgevolg zal men voor het werken aan integriteit vaardigheden nodig hebben gespreksmethoden die bevorderen om gezamenlijk te zoeken naar het moreel juiste van een situatie.

Deze gespreksmethoden bestaan uit en combinatie van het zevenstappenmodel en de "socratische methode". In het zevenstappenmodel worden de deelnemers aangemoedigd "zelf afwegingen te maken over een lastige keuze, waarbij de voorwaarde gesteld wordt dat je je niet zomaar kan beroepen op een mening, een leer, op dogma's, een voorkeur, een persoonlijk belang, op codes, regels, cultuur, of op een autoriteit. 181" De socratische methode focust onder meer op de keuze recht te doen aan rechtvaardigheid door te streven naar consensus, vanuit zelfonderzoek. Daartoe moet men niet-hypothetisch spreken, vanuit een ervaring, geen autoriteit aanhalen, niet beweren, niet aanvallen, niet menen maar vragen stellen, tegenspraak onderzoeken op betekenis. Reeds geformuleerde beginselen, wetten e.d. zijn niet zonder belang: zij verwoorden de consensus die in het verleden ontstaan is. Maar ze zijn niet absoluut: er kan van afgeweken worden. De socratische methode gaat ervan uit dat er over het goede en over rechtvaardigheid een gemeenschappelijk inzicht te vinden is. Dit kan maar als twee voorwaarden vervuld zijn: men moet de methode beheersen en er moet bereidheid zijn om erin te investeren. Als dat niet het geval is, "stuit je op de tragische onmogelijkheid om rechtvaardigheid en integriteit gezamenlijk vorm te geven. 185" Bij het verzamelen van de argumenten wordt er onderscheid gemaakt tussen drie soorten argumenten: beginselargumenten, gevolgenargumenten en smoezen. Beginselargumenten gaan boven gevolgenargumenten.
De kern van de socratische methode is dat integriteit een streven naar consensus is. Daarbij gaat men ervan uit dat "zowel het goede als het rechtvaardige één zijn" 196. Bij dit laatste wordt in een voetnoot verwezen naar de dialoog Phaidoon "waarin Plato schrijft over het Ene, als de norm in onszelf, het gelijke op zichzelf, het Goede, waaraan wij de praktijk van leven toetsen. 196 voetnoot 9 "

  1. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur als beginselargumenten

De vraag is waarom men aandacht moet geven aan morele oordeelsprocessen: er is toch de wet! Voor Hannah Arendt is het grootste gevaar voor de integriteit de amorele onverschilligheid tegenover de vraag: "Is dat wat ik doe moreel juist?"
Marc Hertog stelt dat er drie opeenvolgende idealen van goed bestuur zijn: (1) Weber stelt dat de ambtenaar een gehoorzame loyale klerk is die het primaat van de politiek erkent 200. (2) In het ideaal van de koopman-ambtenaar, staat efficiënt werken en de burger als klant bejegenen centraal. De politiek wordt een marktpartij. (3) Als men de ambtenaar als communicator benadert, dan moet hij vooral open en aanspreekbaar zijn en de burger als partner bejegenen. Hij moet streven naar een draagvlak en de politiek bestuurder benaderen als regisseur. De oude rollen werden echter door de nieuwe niet verdreven. Ambtenaar zijn wordt dus zeer complex. Daarbij komt nog dat er een tendens is tot decentralisatie, waardoor de ambtenaar meer beslissingsruimte heeft. Er ontstaan dus steeds meer keuzesituaties waarin de ambtenaar hoe dan ook moet beslissen. Daarvoor gelden de principes van behoorlijk bestuur. Deze houden in dat de beslissing objectief voorbereid moet worden, dat ze behoorlijk gemotiveerd moet worden en dat ze inhoudelijk goed moet doordacht zijn (de verwachtingen van de burger honoreren, gelijke gevallen gelijk behandelen, goed overwogen zijn, niet willekeurig zijn).

  1. Deugd, geluk en de toetssteen van gerechtigheid

De betekenis van het begrip "deugd" is doorheen de geschiedenis sterk geëvolueerd. Voor de Grieken had het begrip betrekking op de ingesteldheid van de morele actor zelf. In onze tijd is het vooral gericht op de ander 217. Voor de middeleeuwer Thomas Van Aquino hield deugd een vermogen tot goede gewoonten in, gericht op het beheersten van lichamelijke aandriften, verwerving van kennis en gehoorzaamheid aan God. Vanaf de verlichting wordt het begrip vanuit het subject benaderd. Bij Hume steunde het goede handelen op gevoelsmatige betrokkenheid op de ander of op een algemeen gevoel 219. Voor Kant gaat het om een handelen volgens de rede. De categorische imperatief houdt in dat men altijd zo moet handelen dat zijn gedrag een algemene regel kan vormen 220. Daar waar voor Kant de vrijheid in de rede wordt gerealiseerd, wordt voor de hedendaagse mens de vrijheid een doel op zichzelf. Het gaat er op onafhankelijkheid en keuzemogelijkheden te vergroten 221. Daarom staat in de hedendaagse periode het strategische handelen centraal: handelen gericht op doeltreffendheid. Geluk wordt een doel op zichzelf, de deugd wordt gemarginaliseerd. De 19de eeuwse ethicus Jeremy Bentham gaat uit van het utiliteitsbeginsel 222: maximaliseren van lust en minimaliseren van pijn. Dit is problematisch omdat het "goede handelen" los komt te staan van gerechtigheid of morele juistheid. Maar anderzijds is er ook een ontwikkeling in het morele denken: men gaat ervan uit dat men moet rekening houden met vrijheid, rijkdom, geluk van alle betrokkenen. Dit wordt vertaald in wetgeving. Momenteel wordt de modernisering van het handelen door velen beschouwd als een afgesloten tijdperk. De coherentie valt uiteen, de wereld wordt onoverzichtelijk, maar de dynamiek van het streven naar vrijheid, rijkdom en geluk is niet afgesloten 224. Het verschil met de moderniteit bestaat erin dat oordelen boven handelen komt. Het gevolg is een onophoudelijk zoeken naar waarheid, gerechtigheid en schoonheid. De deugd wordt meer en meer opgevat als een vorm van bestaansesthetica. Dit gaat gedeeltelijk terug naar het Griekse ideaal: zoeken naar handelingen die passend zijn voor de inrichting van het eigen bestaan. Het gaat dus niet om een moreel oordeel in de zin van rekening houden met anderen. De ander verschijnt eerder als middel.

  1. Het dilemma voorbij

Samen met het Bureau integriteit Amsterdam werd door Governance and integrity een omvattend en samenhangend programma voor ambtelijke integriteit ontwikkeld. Dit programma bestaat enerzijds uiteen moreel leerproces en anderzijds uit een handhavingspraktijk, waarvan de sluitsteen de disciplinaire straf is, maar de kern van het programma bestaat uit training. De training heeft drie aspecten: (1) het bereik van het morele oordeel is zeer ruim, het gaat over elke handeling en elke beslissing; (2) er wordt gezocht naar een eenduidig antwoord door een vaste procedure en (3) inhoudelijk is het gericht op recht doen aan de ander 232. De methode heeft in de loop der jaren een zekere evolutie ondergaan. Deze evolutie is onder meer gebaseerd op de duizenden casussen die men in de loop der jaren heeft ontleed. Ze werd echter ook geconfronteerd met het filosofische debat aan het einde van de twintigste eeuw, waarbij vooral drie filosofen centraal staan: Levinas die de vraag naar de gerechtigheid stelt; Habermas die uitgaat van het communitarisme en Derrida die het morele oordeel ziet als de basis van een principieel onafsluitbaar leerproces 239 voetnoot 13.
Gezien het morele oordeel elke handeling en elke beslissing omvat, is er geen enkel handelingsgebied waar allen de effectiviteit geldt. Een organisatie zou dus alleen die handelingen mogen stellen die zowel effectief als moreel juist zijn.
Er dient te worden gezocht naar een eenduidig antwoord. Dit houdt in dat men (1) een onderscheid maakt tussen beginselargumenten, gevolgenargumenten en smoezen. (2) De vervalsing van het oordeel dient systematisch te worden onderzocht 241. (3) Beginselen dienen als handelingsverplichtingen te worden gedefinieerd, voortkomend uit de rechten van de betrokkenen. (4) De weging van de beginselen die tegenover elkaar staan moet gebeuren op basis van consensus en op basis van de onderliggende rechten en de specifieke relevantie binnen een concrete situatie. (5) Als er werkelijk een evenwicht tussen twee beginselen bestaat, moet men nagaan welk handelingsalternatief de schending van het onderliggende recht het best goedmaakt of compenseert. (6) De formulering van de conclusie door de deelnemers is een indicatie of de weging zuiver is verlopen. Alleen als aan beide kanten de meest zwaarwegende argumenten zijn afgewogen is de weging betrouwbaar 242.
Het doel is recht te doen aan de ander. Daaruit kan men besluiten dat een moreel oordeel niet relatief is, niet subjectief, niet historisch of cultureel bepaald. Men kan dus op basis ervan ook de eigen cultuur en geschiedenis bekritiseren. Het morele oordeel houdt een wending in van moraal naar gerechtigheid.

1 opmerking:

  1. In een wat zorgwekkende toestand lees ik je samenvatting van 'ons' boek. Prima verhaal en goede weergave van de hoofdlijnen van de bundel.

    BeantwoordenVerwijderen